2: "Over het plezier van het omkeren"
De derde bundel van Elma van Haren was Het schuinvallend oog (1991). Deze bundel bevatte dagboekgedichten uit de periode 1987 tot 1990. Het eerste deel ervan was 'Kruislings denken 1987-1988', het tweede droeg als titel: 'Het suspakket 1989-1990'. De gedichten zijn op diverse plaatsen geschreven zoals in Nijmegen, Arles, Barcelona, New York en Amsterdam en alle gedichten zijn van een datum voorzien. Uit het gedicht gedateerd '5 juni' spreken zowel heimwee als rust:
Het licht is zomeravondlicht, het lijkt wel alsof je voor je tent
zit na een dag zwemmen en klimmen, zodat de avond er is om spoedig
te gaan slapen. Ruik de bedompte geur van de afgekoelde tent!
Je was er altijd bang in. Zij konden immers messen dwars door
het doek steken zonder dat jij kon zien wie het deed!
Vreemd,
dat dit vredig avondlicht daaraan doet denken, terwijl
er toch niets stillers is dan dit wit bureau.
De vogels schrijven
hun avondgetsjilp door elkaar heen.
(p. 14)
In het gedicht '27 oktober' schrijft Van Haren over een geliefde:
Wat rest je nog dan, met doezelig hoofd, wat te simmen over een
verloren uur? Weet hij, dat jij je bevindt in iedere lijn in zijn
gezicht, in zijn das dicht om zijn hals, in zijn te dikke trui?
Ha!
(p. 28)
De gedichten in de tweede afdeling beginnen steevast met het woord 'over' en gaan dan ook daadwerkelijk over allerlei onderwerpen: 'over pasvorm' bijvoorbeeld.
Als ik een tekst lees in een boek, verwonder ik me er vaak over, dat
de woorden zo netjes aan één stuk ophouden aan het einde van de kant-
lijn. Af en toe een onderbreking, maar zelden.
De woorden passen allemaal op de regel, op de toegestane lengte.
Zo heeft ook de dag een kantlijn, maar ik betwijfel of ik en mijn
handelingen, gelijk de woorden op de regel, zo netjes eindigen. Meestal
blijft er een heel stuk open, een braak stuk tijd, dat daar maar voor
niets ligt en op iets lijkt te wachten.
(p. 52)
'Over in vorm blijven' beschrijft verval, zoals het verloren gaan van het vak dat zij leerde en niet uitoefende:
Ik moet zeggen, na al die jaren dat ik me noemde bij de naam van het
vak dat ik gestudeerd heb, ook al oefende ik dat steeds minder uit, want
voortdurend kwamen slenteren, luieren en televisie kijken dat vak ver-
storen, na al die jaren vraag ik mij af, wat dat voor consequenties heeft
voor datgene, wat ik vandaag de dag meestal wel doe.
(p. 54)
Ook de smaak van gebakken vis krijgt alle aandacht in 'Over luwte en haar trawanten':
De luwte in de vis.
De vis kwam rul en gaar uit de oven. Hij viel in mooie schijfjes uit
elkaar zoals vissevlees dat doet, keurig in elkaar passend. Doch binnen
in de vis was de vis net één stap af van rauwe vis, waardoor er een koelte
in zat, niet van temperatuur, maar van smaak.
Aarzeling over wat ik hier at. Geen gare vis, geen rauwe.
Meer beest zo, mengeling van vies en fascinatie.
(p. 76)
Grondstewardess (1996) kreeg lovende kritieken. De bundel gaat over beweging naar binnen en naar buiten, over thuis willen blijven en toch vrij zijn, willen verleiden en verleid willen worden.
Ach ik, grondstewardess,
veel te trots, zelfs in de keuze
van mijn herinneringen.
Ik moet mij oefenen
in geduld met het donker.
Alle oorlogen beginnen 's nachts.
(p. 8)
Het lijkt of 'Zelfportretten' gebaseerd is op verwoeste sprookjes en sentiment uit dronkenschap.
Traag dronken worden op likeuren
is verre te preferen boven
het trapsgewijs geschokschouder
van dronketorren-whiskey
tamtam van bruine rum
of grinnikende gin.
Al volgt op dat zachte vloeien rond de nek,
net onder de haargrens,
mijn tranen, dat sentiment
van mijn framboise paarden met gele hoofdtooi
in een leeggeblazen kamer.
(p. 24)
'Overgave I' beschrijft het denk- en schrijfproces.
De maan van het denken verbleekt.
De sluip- en kruipdoorweggetjes liggen in het donker.
Op de tast moet je je weg vinden naar
het geblaf in de verte,
dat een enclave veronderstelt,
een bedding voor het bloed.
Dat vereist precisie. Een mengsel van
discipline en dwaasheid.
(p. 26)
De tweede afdeling van de bundel bestaat uit één lang gedicht in twaalf delen: 'Handeling om ruimte'. Het gaat afwisselend over beweging en rust in en om het huis. Zintuigen spelen er een grote rol in - het schrijven zelf is een steeds terugkerend thema.
O,
hongerige vlakte,
waarop ik een aquarel met inkt en speeksel
spreekpenseelstreel met mijn tong,
omdat ik eerder spreekbeeld
dan aan beeldspraak doe.
(p. 52)
Handwerklieden komen regelmatig voor in deze gedichten - vooral de timmerman. Bed en ritmiek duiden op erotische bijbedoelingen.
De visser vist voor mij.
De houthakker hakt voor mij
en de timmerman,
mmm...
Op bedhoogte is vakmans woordenschat een dompelbad,
timmer timmer timmer timmer
timmer timmer timmer timmer
timmer timmer timmer timmer
timmer timmer timmer timmer,
man.
(p. 59)
De bundel Eskimoteren (2000) sloeg bij de meeste critici aan. Het woord eskimoteren is afgeleid van wildwaterkanoën, het met een kajak omslaan (om de as wentelen) in het water. De gedichten laten zich zo ook lezen, bruisend en wild om zich heen slaand. Met veel wit, veel inspringingen. In deze bundel beginnen alle titels met het lidwoord 'het', zoals 'Het heldere', 'Het apocalyptische' en 'Het helle':
Aan de andere kant van de wereld was
het een warme vochtige avond in november,
maar waar ík woonde hing
een nevel van malicieuze gedachten en tikte
ijzige motregen
tegen het litteken op mijn wang.
Vanaf toen weigerde ik al het gewoontegetrouwe.
(p. 7)
In 'Het onontkoombare' komen we de ik-persoon met het litteken weer tegen in de regen.
Het regende, maar met de jas open trilde de tijd
en botste de warmte van een gedeeld verleden
tegen nu,
dit heden; het muizige mot,
tikkend tegen het litteken op mijn wang.
Doch één zonnestraal op mijn gezicht in de straat
en ik wist, dat het was
als mandarijnen in oude schil.
Van binnen bitter oranje, het moeizame pellen,
het uiteenvallen alsof het daarvoor bestemd was,
opgedeeld in partjes, die
best op zichzelf kunnen overleven hoor,
ojabestewel!
(p. 10)
In 'Het hoogmoedige' wordt over liefde gesproken en over een bijzondere lippenstift:
Ik trok twee bontvellen over elkaar aan.
Een met de vacht naar binnen, de andere
naar buiten gekeerd voor de laag lucht
en de mogelijke circulatie van geluk daartussen.
Ik stifte mijn lippen in de smaak van walvis,
ontstak de haard.
(p. 19)
Eigenlijk kan 'Het gewone' net zo interessant zijn - maar wat is 'gewoon' in de liefde?
Mooi, zuchtte ik, mooi.
Maar verzoening?
Met een appeltje in de hand en neus op fruithoogte
verlangde ik gewoon
de efficiëntie van een jij
binnen handbereik
(Elkaars) Gezelschap.
(p. 23)
Er klinkt volop geluid in de gedichten, soms in de vorm van luid tetterende hoofdletters.
Het klonk op in een luid RINKELDEKINKEL.
Geen blik of glas, maar het woord,
uitgesproken door een laconieke stem.
Taalkopstootje: Breek uit!
Baan je naar buiten!
Luid gelach en toen
sprongen de sterren al in mijn
alom beleefde tegenwoordigheid.
Juist wat ik wou voor mijn verjaardag.
Een Rinkeldekinkel.
Precies zo!
(p. 31)
In 'Het eskimoterende' valt alles samen: de onmogelijkheid van ordening, de mens in het brandpunt waaromheen de wereld als een razende beweegt, de tijd die verstrijkt in een eigen, onbeïnvloedbaar ritme.
Steeds als ik de dobbelstenen gooide in een poging tot
de hoogste orde van twaalf,
was de dag mij toch te vlug af met zijn
vierentwintig stippen van tijd.
(p. 41)
- Terug naar Introductie