In menigten
In 2003 verscheen bij uitgeverij Nijgh & Van Ditmar de debuutbundel van Erik Jan Harmens In menigten. Het motto 'I may not sound too clear, because I am holding a flashlight between my teath' is een uitspraak van de astronaut John L. (Jack) Swigert Jr. (1931-1982) in een gesprek met NASA bij porblemen tijdens de vlucht van de Apollo 13 in april 1970. De bundel zelf valt met de deur in huis en blaast meteen stoom af:
ik dumpte haar niet maar liet 'r bederven als hartige taart
of beter gezegd ze stierf
reed ik daarnet nu iemand voor z'n knikker of niet?
In het gedicht plaatst Harmens complexe woorden als 'intiniraries' tegenover vertrouwder woorden als 'schroevendraaiers' en laveert hij van platvloersheid naar paniek. In het openingsgedicht lijkt het er bovendien op dat er een omgekeerde tijdrekening wordt gebruikt, van ongeluk naar opdringerigheid en verder naar het verschonen van luiers, eindigend in de baarmoeder?
het werd stil in die zin dat niemand sprak
en er ook geen oorlog uitbrak
(p. 7)
In 'De daad' is ook zo'n verwarrende verschuiving in betekenis en verbanden werkzaam, waarbij de ik-persoon van klusjesman tot dichter wordt:
ik kan nog steeds geen schroef van een moer onderscheiden
ik boor maar wat onbeholpen in een wand
ik kit het dak van een huis waar ik niet wil wonen
en toer door het land met mijn waterpomptang
Hij grijpt een mug beet die op zoek naar het licht is en zegt dat hij op zoek is naar 'u', de lezer dus:
káffer
lezer van dit gedicht
weet u zeker dat u het nachtlampje wilt uitknippen?
(p. 8)
maar dat wordt voor de lezer gedaan, want dit was de laatste regel van het gedicht. De bundel van Harmens begint zo op een tamelijk agressieve toon. We verkeren dan ook in een wereld waar niet alles van harte gaat:
ik aaide de kat te hard naar je zin
maar ik zag er mijn ex-vrouw in
(p. 9)
Het is bepaald niet een wereld van mooie dromen, meer een van de harde dagelijkse realiteit:
oh boze droom neem een detour blijf lang weg
brr het is koud en ik wil iets tegen me aan
een kussen
de kip die draait in je grill
een dubbelloops met demper
je dikke billen in je Diesel
(p. 9)
Een wereld kortom waarin bloempotten en snelklaarmacaroni op gelijk niveau verkeren als geweren en gebibber. De taal is spreektaal:
sh-sh-beng! zeg me niet dat alles goedkomt
ik weet dat het waar is het vréét aan me!
sh-sh-beng! spreek nog eens diezelfde
vaderlandslievende woorden
(p. 10)
Spreektaal waarin herhalingen de voordracht ondersteunen:
oh boze droom neem een detour blijf lang weg
(p. 9, p. 10 èn p. 11)
Voorin de bundel is een gedicht met de titel 'Nee! niet in die kamer komen!'. In die kamer ligt zijn vader op sterven:
bedenk vast wat laatste woorden
die ik op kan nemen in mijn rede
dat je zo gewoon bent gebleven
en niemand weet waarom
(p. 12)
Dit gedicht krijgt een pendant tegen het slot van de bundel, waar een identiek getiteld gedicht staat, maar in die kamer ligt 'mijn liefste'. Hij zegt dat hij af en toe een 'hardgekookt ei' in haar mond propt, maar dat er verder niet veel meer gebeurt:
ik ben nog niet bewusteloos dus drink nog wat
(p. 40)
en behalve bier komt dat neer op cognac, whisky, wijn, cider en jenever in verschillende gedichten. De titel van de bundel In menigten komt overeen met die van een reeks van vijf gedichten, waarin een biefstuk zo langdurig wordt gebakken,
dat-ie smaakte als een uitgedroogde kut
Onenigheid tussen de geliefden is het onherroepelijk gevolg ervan en natuurlijk zet de dichter het op een drinken:
je wilde dat ik bleef en ik bleef
ik werd geacht te huilen dus dacht ik aan joden
(p.14)
Iedereen stoort zich aan iedereen, de dichter hekelt het lawaai van duiven, dringt zich in een volle tram aan willekeurige mensen op, stelt voor de hand liggende vragen. Tot de dichter onder een vreemd bed ontwaakt van een vrouw met een broekrok. Later komen ze elkaar tegen in de Raadhuisstraat, hij roept haar aan:
weet je nog het trappenhuis
mijn duimen op je slokdarm
(p. 16)
Waarna hij een welgemeend kledingadvies geeft:
ik vond je trouwjurk mooi maar ik had er een string
onder gedragen of gewoon lekker in je blote pruim
(p. 17)
Het is in het vervolg van het gedicht duidelijk dat hij de vrouw niet kan missen. Maar ook dat hij niet wil dat ze hem verandert:
waarom dwong je me te nippen van de jenever zo
bovenmatig dat ik moest overgeven en walgde van
die jij wilde dat ik was
Al het huishoudelijks dat hij uiteindelijk aanpakt mislukt. Ten einde raad drukt hij een kussen op het gezicht van de vrouw:
ik heb een kussen op je gezicht gedrukt maar losgelaten
voor een laatste puf waarna je blèrde om de tijd die je niet had
(p. 18)
Maar hoe serieus nemen de vrouwen hem? In meerdere gedichten komt een haat-liefde verhouding met vrouwen naar voren, zoals duidelijk al blijkt uit soms opvallend lange titels, zoals:
Als ik mijn vrouw doormidden zaag heb ik er twee
Hoe heftig in deze relatie wordt gestreden, maar ook hoe mat het daarna kan zijn blijkt uit:
je riep om hulp maar je keel produceerde geen geluid
dus ademde het maar wat
je viel maar ik raapte je niet op
ik weet niet precies waarom
het kwam er gewoon niet van
(p. 19)
Op onnadrukkelijke wijze relativeert de laconieke toon al dat gevecht en gesteggel. Maar al zijn relaties lijken verstoord en kunnen tot lastige misverstanden leiden, vooral in bars:
steeds als ik een Koninck bestel verstaat de barman tonic
(p. 20)
Het aan elkaar haken van totaal verschillende begrippen is voor Harmens geen punt. In het gedicht 'Ik schrijf je dit vanaf een brits' gaat het over de schutting, tuinen, onkruid, tegels, bombarderen, cadeautafel, Poolse serveerster, attachement, tranen, bierplas, steekwonden, kut, ascetische gelaatstrekken, vuurwapengevaarlijk, yell, aansteker, elmorode wangen, pinoblauwe lucht en 'de trigger van de tijd'. Het eindigt bezwerend met:
wij zijn zo mooi als ik wil dat we zijn en ik wil dat we lelijk zijn
(p. 23)
Af en toe neemt de fantasie het over. Wat is bezit nu helemaal?
het is ook niet moeilijk om orang-oetangs te bezitten
je gaat naar Artis
zoekt de kooi
spreidt je armen en roept
dit is allemaal van mij
(p. 26)
Vroeger was de dichter gehoorzaam:
ik ben 2 jaar oud en ik hou mijn mond de hele dag open
als iemand zegt doe je klep dicht dan doe ik mijn klep dicht
Als hij later op een boek zal prijken, dan is dat wel anders, het kijken kan alvast geoefend worden:
vervolgens staar ik als op een achterflap in het niets
want of ik nu praat of niet men hangt toch wel aan mijn lippen
(p. 31)
De clown duikt weer op in dit gedicht, de toeschouwers moeten geamuseerd worden. Opvallend zijn de woorden die hij met elkaar in verband brengt in dergelijke gedichten. Vreemde woorden als kliko, clicklaminaat en chin worden zonder omhaal gebruikt. Misschien staat 'chin' voor Chinees eten, dat althans suggereert de strofe:
witte wijn drinken
je maag omkeren
en weer chin
(p. 31)
De terugkeer van de jeugd en letterlijk de terugkeer van het eten in de dronkenschap. Zo is er de ervaring van spoken in de nacht:
maar dan dat wachten op het spook
of op iets anders dat de gang naar de vloer rechtvaardigt
een infarct
een gebed
een pistoolschot
lenzen
(p. 35)
Een absurd einde aan een grimmige tekst, waarin het enige spook de ik-persoon zelf is die op zoek moet naar zijn contactlenzen onder het bed. De dichter voelt zich niet altijd door anderen erkend:
je kunt ook niets roepen en zoals ik dromen en zwijgen
waarop de anderen oordelen dat je hautain of gereserveerd
of verlegen of dronken bent
(p. 36)
En als er andere dichters ter sprake komen, is het een soort literatuur die minder eenvoudig te volgen is dan zijn eigen poëzie:
ik heb het schilderwerk op het plafond bestudeerd
ik heb een vlieg gevolgd die hetzelfde deed
ik heb een gedicht gelezen van Paul Verlaine maar ik geloof niet
dat ik er ook maar een woord van begrepen heb
(p. 36)
Dit is een gedicht over iemand die uit beleefdheid meedoet met de anderen, maar in feite interesseert zijn omgeving hem niet, omdat men zijn mogelijkheden en fantasieën niet kan zien. In het gedicht Rechaud komt hij - zoals gebruikelijk bij Harmens - fiks uit de hoek over seks:
ik krijg nog steeds niet echt een harde van je
maar ik doog je je mag blijven
Uiteindelijk volgt een opwindende vrijpartij, in cider gedoopt, en valt er weinig meer te zeggen. Als deze dichter romantisch is, dan is het in elk geval een zakelijke, eenentwintigste-eeuwse romantiek:
ik giet wat cider in je bilspleet als je slaapt
ik kan niet zeggen dat dat me onberoerd laat
als je het niet erg vindt laat ik deze zonsopgang even aan me
voorbijgaan
wat moet ik erover schrijven?
oh zon? oh op?
Ze vatten een ander plan op:
ga liever met me uit eten
en dan steeds als de ober vraagt
of we al een keuze hebben gemaakt
zeggen
we weten het nog niet
(p. 37)
De (gedroomde?) tuinfeesten zijn niet als de tuinfeesten van de dichter M. Nijhoff. Ze zijn niet weemoedig, maar worden pas echt gezellig als de dichter ter plaatse is:
niemand sprak me aan vanwege mijn air
of misschien ook omdat ik bloot was
of omdat ik het hoofd van de gastvrouw minutenlang
onderhield in de bowl
Harmens schuwt de retoriek niet. Hij laat de aarde schudden, maakt angstige onderaardse uren mee en ziet het leven in een film voorbijgaan. Vervolgens doet hij dit alles teniet met een relativerend
boe hoe hoe
(p. 44)
In het vijf pagina's lange gedicht 'Redial' wordt zijn leven als een film teruggespoeld, met kleine schokjes. Drank, schrijven, ambities, seksualiteit, droom en het normale leven, alles komt in dit gedicht bijeen.
bij wie je 'm erin stak en bij wie niet
en waarom bij die en die wel en waarom bij die en die niet
(p. 45)
Dan moet uit alle mogelijkheden de beste worden gekozen:
liever iets dan niets
liever een half dan nul
liever nul dan min één
liever min één dan min tien
(p. 46)
en:
liever jouw hand in m'n broek dan mijn eigen hand in m'n broek
liever mijn eigen hand in m'n broek dan géén hand in m'n broek
(p. 47)
Alles is relatief:
als jij A zegt zeg ik B
niet omdat dat ergens toe leidt
maar gewoon
uit automatisme
(p. 47)
Waarom schrijven?
ik schrijf omdat ik 's nachts soms in ademnood wakker schrik
en mezelf dan zo uniek en enig vind
dat ik alles noteren moet dan wel mezelf wegcijferen moet
en ik wil mezelf niet wegcijferen omdat níemand dat doet
(p. 48)
De vraag is wel of hier de dichter zelf aan het woord is of dat hij hier een ander aan het woord heeft gelaten. De vele mensen die hij ontmoet in zijn gedichten weerspiegelen misschien het drukke leven van de slam dichter die van Tilburg naar Groningen en van Den Haag naar Utrecht reist om op te treden. In het laatste gedicht uit de bundel komt de dichter - onder invloed - op de meest bizarre plaatsen.
ik vroeg de chauffeur waar ik was
maar hij kwam niet verder dan eindpunt
Daar zit hij niet op de wachten, maar op een bemoedigend woord, misschien uit zijn eigen kraam of uit de lucht geplukt:
thuis wachtte ik op woorden
en toen ze niet kwamen zat ik ze na met een spies
(p. 51)
De gedichten werden niet alleen veelvuldig voorgedragen, sommige gedichten verschenen ook eerder in tijdschriften. Harmens publiceerde bijvoorbeeld in De brakke grond en Krakatau en er verschenen ook veel gedichten op internet, zoals in het online tijdschrift Rottend staal. Zoals de dichter het onomwonden en klipklaar formuleert:
liever een kutgedicht dan géén gedicht
(p. 46).
- Lees verder over Harmens: Het fenomeen poetry slam
- Terug naar: Introductie