Sta op en wankel: "met een roedel konijntjes op schoot"
In 1999 verscheen een nieuwe bundel van Ingmar Heytze: Sta op en wankel. (De citaten zijn overgenomen uit de verzamelbundel Alle goeds.) De titel was een variatie op een bijbelverhaal over de genezing van een verlamde, die van Jezus te horen krijgt: "Sta op en wandel". Dit om te bewijzen dat hij de macht had om zondaren te vergeven. Het verhaal staat onder andere in Mattheus 9. Het titelgedicht begint zo:
Sta op en wankel - uche uche -
naar de gootsteen. Wat een nacht.
Nog steeds alleen. Te veel gedronken.
Met de taxi thuisgebracht.
De dichter begrijpt niet hoe anderen dat doen:
in liefde vallen op de dansvloer,
niet alleen, maar allebei,
dus zij op hem en hij op haar,
getweeën, samen, met elkaar,
consensus dus
Die overdrijving door zeven keer hetzelfde te zeggen, moet zijn eenzaamheid onderstrepen en en dat is dubbele eenzaamheid, want hij is wel met zijn tweeën, met twee zielen in een borst, maar bij hem is geen consensus:
ik blijf een eenzaam twistgesprek
(p. 71)
Deze bundel concentreert zich vooral op de mislukte relaties en op de voortdurende eenzaamheid die zo groot is dat de hele kosmos er in betrokken wordt. Er heerst veel verwarring, verlegenheid en schaamte, zoals vaak bij:
jonge goden met te veel talent
voor de verkeerde dingen,
wanhoop, twijfel, duizelingen
en:
één nacht
van scherp genot is goed
voor weken zelfverwijt
(p. 59)
In 'Door dik en dun' worden verkeerd gelopen relaties bekeken als een film van Laurel en Hardy (de dikke en de dunne):
Die oude stomme film van ons:
we vechten met taarten, we slopen
een auto, we hangen halsbrekend
aan wijzers van klokken -
een filmheld op sokken
en jij mijn prinses
(p. 63)
Liefde slaat om in haat:
Hoor eens ik haat je,
ik schreef dat je lief was en licht -
en nog wat onzin over je gezicht
maar nu haat ik je, god wat haat ik je.
Die neus, dat hoofd, die paardenbek,
die ogen en die gierennek
dat kraagje en dat bloemkooloor
met al je slierten haar ervoor.
en de tijd dat hij Gorters liefdesgedichten in haar oor fluisterde:
Hoor eens ik wou graag zijn
jou
(p. 66)
die tijd is voorbij. Wolkers citeert hij wel, maar het is nu tijd voor 'Jongenswraak':
Ze wordt van mollig tot gezet,
een roos van vlees in spijkerbroek.
Haar botten raken langzaam zoek.
Haar billen zwemmen in hun vet.
Haar boezem zakt tot dun beslag.
Haar navel trekt zich langzaam terug.
Haar schouderbladen plooien zich
tot reuzel op haar onderrug.
(p. 77)
Maar het verlangen naar meisjes blijft:
Voordat mijn gedichten
zijn verjaard tot voorbeeld
van het een of ander,
mijn talenten zijn vervallen
tot verzameld werk,
wil ik bij jou zijn.
(p. 69)
De dichter als actieve hoofdpersoon in zijn eigen gedichten is weer present. Ook uit de vorige bundel meegenomen is het beeld van een vos onder ijs; alleen is het nu een mammoet:
Het is heel koud in dit gedicht.
Zo koud - voorzichtig met je netvlies -
dat je blij mag zijn om het alleen
te hoeven lezen
Het schrijven ervan suggereert Heytze, moet een ijselijk karwei zijn geweest:
Het is gemaakt van zwarte vingers
en bevroren inkt. Het staat in gletsjers
om me heen verrezen.
(p. 60)
maar dan worden we verplaatst naar de gedachten van een ingevroren mammoet, die 'weggedoken in de tijd' omhoog staart door het ijs om te luisteren 'naar de eeuwigheid'.
Het zich spiegelen in dode dieren vindt een pendant in het zich meten met dode dichters, zoals Paul van Ostaijen. Heytze nam uit zijn beroemde bundel Bezette stad de moderne en expressionistische typografie over en ook het woord 'BOEM', zij het dat het bij hem niet een bombardement, maar een botsing beschrijft op een zebrapad:
drama in volle vaart mannen vrouwen werpen zich op rode
motorkap op de voorruit dood vlees de maag wankelt
(p. 79, zie de afbeelding)
Ook de gedichten van Slauerhoff kunnen als uitgangspunt dienen:
Alleen in je gedichten wil je
wonen, alles goed en wel,
maar zie: dat huis staat wankel
op de rand van het cliché
met een allersomberst uitzicht
op de vaderlandse poëzie.
(p. 81)
en dat landschap wordt in dikke lijnen geschetst. Links ligt het symbolisme, de hermetische poëzie 'met cryptofiele onderlagen', een wereld van 'grachtengordel-fabeldieren die elkaar ten grave dragen'. Rechts ligt een slangenkuil van performers en rap-dichters, 'ruige shit op wrede beats', de stemverheffing en het gif dat 'slap als taptemelk' is. En Heytze staat zelf in het midden, in een kaartenhuis, waarvan het dak bestaat uit bedel- en afwijzingsbrieven. Over stijlkenmerken van de dichter van het midden zegt hij niets. Iets tussen hermetiek en rap in dus?
In elk geval niet een stijl die alleen voor ernstige gedichten geschikt is. Ook voor deze bundel beschrijft Heytze clowneske situaties. In een gedicht over gym en God bijvoorbeeld, zegt hij zich vroeger bij het touwklimmen eenmaal bovenin 'een beetje als God' voelde:
ik zag de klasgenootjes
beneden op de grond
en zwaaide minzaam
met mijn hand
dat moet je niet doen
als je in een touw hangt
(p. 82)
In een paar gedichten wordt de kosmos beschreven als een fraai, maar levenloos decor. 'Wij zijn alleen' constateert hij en onze telescopen ('oren groot als korenvelden') proberen vergeefs de schaterlach van vreemde wezens op te vangen.
Men ademt in, men ademt uit,
men wacht -
(p. 88)
De wanhoop wordt in deze gedichten als in een etalage gezet:
Mijn hoofd wil van het denken af,
van alle woorden, tekens, taal
- bezielde as, een oud verhaal -
ik zeg je dat ik dood ben
en alleen nog voor de vorm
wat ademhaal.
(p. 91)
Ondanks dat zijn er nog grappige en bedrieglijk simpele gedichten:
Ben ik verlegen
wordt elke gedachte
een bang konijntje
op mijn hoofd
Ik kan daar verder
niets aan doen:
de een gaat zweten,
de ander wordt rood
en ik zit al gauw
met een roedel konijntjes
op schoot.
(p. 95)
Halfrijm en rijm en een beslist ritme versterken het grappige effect. Een ander effect wordt bereikt door parodistische gedichten. Het vervreemdende effect daarvan is dat Heytze niet in zijn eigen stijl een variatie op een gedicht van Rutger Kopland schrijft, maar dat hij dat gedicht schrijft in de stijl van een popgroep, de Raggende Manne, die van 'Jonge sla' een versie 'coveren' die 'Warme stront heet':
Ik kan een hoop hebbe,
modder op me pijpe,
kots op straat, een portiek
met naalde stamp ik met droge oge
doorheen, daar ben ik
werkelijk hard in.
Maar hondenstront in oktober,
net gelegd, warm nog,
onder me zole, nee!
(p. 93)
waarin 'hoop' al in de eerste regel een luide waarschuwing geeft.
De omslagen van Heytzes bundels worden steevast versierd met een afbeelding van Dolf Zwerver. In het gedicht 'Sinaasappels' gaat Heytze in op de overeenkomst tussen dichters en schilders. Hij beschrijft dat hij bij de schilder op bezoek gaat, die op het schilderij sardientjes heeft afgebeeld. Hij vraagt waarom.
'Ja, daar moest wel iets komen'.
Als hij later nog eens langs gaat, zijn de sardientjes verdwenen en staan er alleen nog letters:
'Het was te veel,' zegt Dolf.
Dan schrijft Heytze een gedicht over de kleur oranje. Pagina's vol oranje:
Dagen gaan voorbij. Het lijkt wel proza,
ik ben een echte dichter, mijn gedicht is klaar
en ik heb oranje nog niet genoemd.
(p. 96)
Hij noemt het gedicht 'Sinaasappels' en komt er achter dat de schilder zijn schilderij 'Sardientjes' heeft genoemd. Eigenlijk gaat dit gedicht over de vraag hoe expliciet een gedicht kan zijn zonder proza te worden. Hoe beeldend moet het zijn?
- Lees verder over Ingmar Heytze: Aan de bruid: "weet dat ik je woordeloos bemin"
- Terug naar: Introductie