Aan de bruid: "weet dat ik je woordeloos bemin"
In 2000 verscheen de bundel Aan de bruid. (De citaten zijn overgenomen uit de verzamelbundel Alle goeds.) Uit het titelgedicht blijkt dat die bruid niet de zijne is, dat wil zeggen: die van de ik-persoon van het betreffende gedicht:
ik fiets nog steeds bij je vandaan
met alle lichten tegen.
Het wordt later en ik mis je.
Je bent inkt onder mijn huid.
Het is voorjaar en het regent
en je zoekt een trouwjurk uit.
(p. 126)
In deze bundel wordt al in het eerste gedicht geacteerd en gezwegen:
Een mokkend, afgeleefd konijn
kruipt stil zijn hoed in en verdwijnt -
het Indiase touw valt slap.
De show moet door! In de coulissen
zak ik in elkaar als laatste grap.
(p. 101)
In het tweede wordt een mime-speler geïntroduceerd, die ook buiten de schouwburg zijn vak blijft uitoefenen:
Ik sta op feesten
en partijen, witgeschminkt en
levensmoe, verscholen achter
glazen wanden die ik aftast
met mijn handen doe ik er
zo goed ik kan voornamelijk
het zwijgen toe.
(p. 102)
De liefde blijft een wankel evenwicht, sterker nog, van 'Stroman spreekt' luidt de slotregel:
de liefde als een bouwpakket
(p. 103)
De meeste gedichten zijn vrije verzen, af en toe rijmend, vaak verdeeld in gelijke strofen. Maar er zijn ook sonnetten, zoals 'Architect':
U kunt hem gerust beschouwen
als een componist met licht
(p. 104)
Naast de liefde blijft de dichtkunst zelf het meest geliefde onderwerp van Heytze. In beide soorten gedichten overheerst de teleurstelling en vergeefsheid, met soms wat verlichting.
Hoeveel manieren van dichten
kent de wereld, of hoe weinig maar:
superieur ingenieurswerk met woorden,
de kosmisch bewogen gevoelige snaar,
de inktvraat van het onttoverd citaat
of schaarse woorden in een wit ravijn.
De dichter stelt zich voor dat het 'met minder omhaal' ook mogelijk is de taal als een werkplaats te zien waar wordt gehakt, geklopt en gevijld:
kloppen aan ritme en vijlen aan klank,
iets fluiten tegen verzwegen pijn,
zo nu en dan gelukkig zijn.
(p. 105)
In een gedicht dat als een 'Prijsvraag voor dichters' is opgesteld maakt hij gebruik van de acties van supermarkten en organisaties waarvoor je slagzinnen moet maken of voltooien. De dichter wordt geacht antwoord te geven op vragen waarom het firmament groot en leeg is, dat de liefde een dode mus is, 'maar ach...':
De dood is niets dan ijzig zwart,
daarom ....................................
De poëzie biedt schrale troost,
kortom ...................................
(p. 107)
Dit type rederijkersgedichten - waarbij de vorm als uitgangspunt dient - komt bij Heytze frequent voor, zoals in het 'Vraag en aanbod'-gedicht, dat een opeenstapeling van mislukking, zieligheid en nutteloosheid is, alles in de vorm van zinnen voor advertenties in lokale kranten:
Koudvuur, roodvonk, restanten, één koop.
Man heeft nog ruimte voor enkele moeders.
(p. 108)
Vaak wordt door Heytze één metafoor als leidraad voor een heel gedicht genomen, zoals het schaakspel in 'Remise' (p. 106), de wijn in 'Château des rêves' (p. 112) of de computer in het gedicht 'Love bug':
Ik keer mijn mailbox om:
jouw server zwijgt.
De zwaarste zoekmachines
lopen vast op jouw adres.
(p. 116)
Er zijn anti-sprookjes:
ik ben op het
verkeerde
feest
men kust elkaar
tot kikkers
hier
(p. 113)
Er zijn anti-liefdesgedichten:
Je houdt van mij? Zeg dat
de vogels in de lucht, de blinde
mollen in de wei, vertel het enig
ander lief in enig ander land -
maar zeg het nooit meer tegen mij.
(p. 120)
Er zijn anti-rap-gedichten:
dichters volgen onderricht door rappers opgesteld
maar van rap valt niets te leren als er niets mee wordt verteld
ik maal niet om de taal van de straat waar jij op staat
het gaat om de verhalen die je van de tegels schraapt
(p. 134)
Maar dit anti-rap-gedicht is een rap gedicht met alle woede keurig op zijn plaats. Over het taalgebruik van de rapper schrijft Heytze een tweeregelig 'Short rap'-gedicht:
De grootste motherfucker
is toch altijd nog je vader.
(p. 135)
Er zijn ook anti-kosmos-gedichten:
Het heelal, dat hangt er ook nog.
Ik vergeet het af en toe
wanneer ik naar de sterren kijk,
mij aan een mooie vrouw vergaap
of spartel in het donkerblauwe diepe
van de slaap, maar in principe
heb ik het hoog zitten,
het heelal.
(p. 138)
Er zijn anti-dichters-gedichten:
Ik wil van liefde schrijven,
maar ik heb de zinnen liever
dan de liefde aan den lijve
maar die zinnen, aan elkaar getimmerd tot iets dat blijft drijven, zullen vergaan:
Laat het rusten op de bodem
van de oceaan, een scheepswrak
met een kloppend hart van taal erin
en weet dat ik je woordeloos bemin.
(p. 144)
Intussen zijn allerlei collega-dichters geciteerd, van Jules Deelder
geen kind, geen kraai, geen zin,
geen baan
(p. 130)
tot Vasalis:
Ik droomde dat ik pijlsnel leefde
(p. 137)
En ook Paul van Ostaijen is weer present in 'Dichter groet 's morgens de dingen':
Dag kruk, dag zeikerds, dag café,
hé fiets, ha slot, ga nou eens open
(p. 136)
- Lees verder over Ingmar Heytze: Het ging over rozen: "en kwamen in dromen van anderen aan"
- Terug naar: Introductie