Het ging over rozen: "en kwamen in dromen van anderen aan"
In 2002 verscheen de dichtbundel Het ging over rozen. Achterin die bundel staat een opvallend lange 'Verantwoording' van twee volle pagina's. Alles wordt verantwoord en alle vragen beantwoord. Wanneer werden de gedichten geschreven? Wie gaven kritiek en advies? Waar komen de motto's vandaan? Wie maakte het omslag? Wie bedacht de titel?
De titel werd na twee Jägermeisters ontdekt door Manon Uphoff.
(p. [47])
Die ontdekking kon gedaan worden in het openingsgedicht 'Air mail', waarin de dichter meldt dat hij in de nacht brieven heeft geschreven:
Het ging over rozen,
trombones, de maan.
en dat hij dit droomde: de brieven zweefden als vliegtuigjes weg
en kwamen in dromen van anderen aan.
(p. 5)
De verantwoording vermeldt verder waar de gedichten eerder zijn gepubliceerd, zoals in het tijdschrift Rails of wanneer ze op televisie zijn voorgedragen, zoals de 'nieuwsgedichten 'De kogel met je naam erop' en 'In ieder valt een vliegtuig', die in de uitzending van Barend & Van Dorp op 15 oktober 2001 werden uitgezonden. Het zijn gedichten over terroristische aanslagen, zoals ook het gedicht 'Open brief aan terroristen' is:
Jullie doen niet écht je best.
Eén welgemikte kogel van het dak,
twee ballonnetjes met zenuwgas
en:
Laat ík soms geen ontroostbare familie
achter? Hoe zit het, ik sta af en toe
toch ook te soezen bij een bushokje?
Nou, waar wachten we nog op?
(p. 19)
waarbij de slotregel teruggaat op de beroemde eerste regels die doorgaan voor het eerste Nederlandse gedicht, maar dat is een liefdesgedicht over vogels die al nesten bouwen en de vragensteller daarin vraagt zich af wanneer hij en zijn geliefde daarmee beginnen.
De verantwoording vertelt ook nauwkeurig waar uitspraken vandaan komen: politici als Heywood Broun, liedteksten van Eric Burdon, een uitspraak van 'mijn zus Dagmar', en:
De vlindervraag is afkomstig van de filosoof Zhuang Zi.
(p. [48])
Er volgt een lijst met dichters die hij pasticheerde, parodieerde of bewerkte: Toon Tellegen, Hans Bergman, Jules Deelder, Ilja Leonard Pfeijffer.
En dan is er de langste lijst:
Elke gelijkenis met poëzie van anderen in flarden, echo's of citaten is louter opzet; afgezien van bovengenoemde verwijzingen verklaar ik mij graag schatplichtig aan het werk van de volgende dichters: Hans Andreus, J.C. Bloem, Jan Boerstoel, C. Buddingh', Bart Chabot, Herman de Coninck, Maarten Doorman, Hans Dorrestijn, Bart FM Droog, Carlos Drummond de Andrade, Lernert Engelberts, Eva Gerlach, Maurice Gilliams, Wouter Godijn, Ruben van Gogh, Jo Govaerts, Guillaume van der Graft, Luuk Gruwez, Tjitse Hofman, Frank Koenegracht, Gerrit Komrij, Rutger Kopland, Tom Lanoye, Ed Leeflang, Erik Menkveld, Hanny Michaelis, K. Michel, Hans Mirck, Adriaan Morriën, Martinus Nijhoff, Hagar Peeters, Jean Pierre Rawie, Anne Sexton, Patty Scholten, J. Slauerhoff, Paul Snoek, Mustafa Stitou, Mark Strand, Wislawa Szymborska, Alain Teister, Jotie T'Hooft, Eddy van Vliet, Vasalis, Dimitri Verhulst, Hans Warren, Lévi Weemoedt, Rogi Wieg, Willem Wilmink, Arjan Witte en Joost Zwagerman.
en dan volgt het advies:
Het lezen van deze dichters wordt van harte aanbevolen. Het lezen van andere levende én dode dichters trouwens ook.
(p. [48])
De gehele verantwoording is gedateerd oktober 2002. Met zo 'n lijst namen kan de lezer aan de slag. De lijst met dichters figureerde ook in zijn 'zomerdagboek' Hier heeft de oudste steen gelijk uit 2002 (p. 87-88). Over de invloed van andere dichters op zijn werk schrijft hij: 'De dichters van wie je een meer omvattende invloed op mijn werk zou kunnen aanwijzen, heb ik allemaal gelezen met een verbaasd gevoel van retrospectie: ik herkende de invloed die hun werk zou hebben gehad op het mijne, als ik dat werk had gekend voordat ik zelf begon te dichten' (p. 87). Het zomerdagboek bevat veel aantekeningen over zijn gedichten ('thematisch bijzonder geschikt voor bruiloften en crematies, zij het dat de troostende of wervende werking ver te zoeken is. Met name de liefdesgedichten hebben de neiging om slecht af te lopen', (p. 63-64), over het schrijven van gedichten ('Gedichten schrijven is de hoogste vorm van denken. Gedichten schrijven is in feite niet-denken', p. 38) en over wat dichters van poëzie weten ('Dichters weten niets over poëzie', p. 123).
Overigens citeert Ingmar Heytze niet alleen andere dichters. Hij citeert ook zichzelf. Het gedicht 'Ideaal gedicht', dat in de verzamelbundel Alle goeds was opgenomen bestaat geheel uit zinnen uit zijn eerdere gedichten. Het werd geschreven op verzoek van Poetry International en gepubliceerd in NRC Handelsblad ter gelegenheid van Gedichtendag 2001.
Het bekendste gedicht uit de bundel is waarschijnlijk 'Voor de liefste onbekende' dat in het tijdschrift voor treinreizigers Rails in miljoenvoud is gereproduceerd:
Wat ben ik blij dat ik je nog niet ken.
Ik dank de sterren en de maan
dat iedereen die komt en gaat
de diepste sporen achterlaat, behalve jij,
dat jij mijn deuren, dicht of open,
steeds voorbijgelopen bent.
Het is maar goed dat je me niet herkent.
Kussen onder straatlantaarns
en samen dwalen door de regen,
wéér verliefd zijn, wéér verliezen,
bijna sterven van verdriet -
dat hoeft nu allemaal nog niet.
Ik ben nog niet aan ons gehecht.
Ik kijk bepaald niet naar je uit.
Neem de tijd, als je dat wilt.
Wacht een maand, een jaar,
de eeuwigheid en één seconde meer -
maar kom, voor ik mijn ogen sluit.
(p. 7)
- Terug naar: Introductie