1."Een lendedoek als voile"
René Huigen debuteerde met de bundel Paleis der ingewanden (1989). Daarvoor had hij al diverse bibliofiele uitgaven uitgebracht, deels in eigen beheer, deels door vrienden geïllusteerd. Zijn debuutbundel verscheen bij uitgeverij In de knipscheer. Na een overstap naar uitgeverij Voetnoot kwam hij terecht bij zijn nieuwe uitgever L.J. Veen.
Het gedicht 'Schuimbekken' maakt een toespeling op het beroemde Selvera's-lied over de 'reebruine ogen'die de jager aankeken, maar hier blijkt de vrouw achter die ogen niet zo fantastisch: 'het brood is van steen'.
O haar reebruine ogen
als noten in een chocoladereep,
als krenten in de pap
die bij het tellen
uit het brood gevallen zijn,
maken de pap luchtig,
het brood van steen
Om dan een vinger in de pap te hebben,
een lepel rechtop in het deeg te zetten
(p. 16)
Het gedicht 'Met een zuur gezicht' gaat over het dichten:
Een lendedoek als voile
of een roerei rond de kop
van het gouden kalf
als nageboorte om het zonlicht hangen
(p. 25)
Uiteindelijk worden de woorden 'het vel over de oren' gehaald. De 'geschifte beeldspraak stremt', waarbij de dichter besluit met 'Van poëzie gesproken ook wel 't stollingsproces genoemd'. Huigen gaat de vergelijkingen niet uit de weg, getuige bijvoorbeeld het gedicht 'Smakeloos':
Zo ben ik in vergelijking tot de dingen
niet smakeloos genoeg
om aambeien voor kogellagers
en wagensmeer voor glijmiddel te verslijten
als het wederom uitgevonden wiel
dat ronddraait in de ars poëtica
(p. 29)
In 'Leef nu, betaal later' wordt de poëzie geherdefinieerd. Het pantoffeldier wordt hier letterlijk genomen:
Zo zal ik het leven nemen
van vezel tot pantoffel-
dier dat afgericht de krant apporteert
en met míjn ogen lezen heeft geleerd
Gelijk een pedofiel der dingen die,
in ieder gat te vereffenen rekeningen
met gelijke munt betalend
het grondbeginsel der poëzie op ongedekte cheques uitschreef
(p. 33)
De bundel Terra incognita dateert uit 1990. Het gedicht 'Gesneden koek' begint met een variatie op Descarte's uitspraak 'Je pense donc je suis':
Denk niet dus besta niet,
ga als wandelende tak op
in een boom
En camoufleer je wijsheid als een boom
die geen boom is, maar de gedachte
aan een boom, vertakt
In de hersenschors
(p. 24)
Sommige gedichten dragen bijzondere titels, zoals 'Een kudde yoghurt in de mist'. Deze titel doet denken aan de absurde, hilariteit opwekkende, raadseltjes over: 'het is rood en het vliegt'. Bij dat studentikoze past ook de nadruk op het eigen ik:
Het zichzelf beramende zichzelf
om zeep helpende tafereel
van iemand die een waterpistool
in zee heeft leeggeschoten
(p. 33)
In afdeling II van de bundel staan een aantal gedichten die zijn gerelateerd zijn aan Midden- en Zuid-Amerika, zoals 'Tláloc, laatste der Mohikanen'.
Daar rees Toela uit het moeras,
en bezong men er Tláloc, hij
die de dingen deed groeien
als laatste der Mohikanen, een fantast
(p. 56)
De bundel Laatste gedichten (1994) wordt voorafgegaan door een motto van John Donne: 'When thow know'st this, what fragmentary rubbish this world is, thow know'st, it is not worth a thought'. De opdracht luidt: 'voor mijn uitgever'. Het eerste gedicht uit afdeling I is 'Sandwichformule':
Ik was wie ik was bij gratie
van wat ik niet behappen kon
en zette daar mijn tanden in
Het gistte in mij
en ik noemde al
wat ik niet duiden kon
een krentebol
(p. 11)
In 'Supergeleider' wordt de blik inwaarts gericht:
Ik trok wissels op mezelf en rangeerde
gedachten die me op een zijspoor brachten uit,
't verleden werd zo een supergeleider
en luidde het informatietijdperk in
Nauwgezet hield ik de dienstregeling
van mijn gevoelens bij, maar ik rekende ook
ernstig op vertraging
(p. 13)
In 'De dag dat taal van mij een man maakte' schrijft Huigen over het spel 'hide and seek':
De dag dat taal van mij een man maakte
speelde ik verstoppertje met de wereld
en verschool me achter mezelf
(p. 15)
In 'Grote gele rivier' kan de auteur zich met alles associëren, zozeer dat hij erin ondergaat:
In mij wellen vragen als grote gele rivieren op,
ik verdrink erin, ik verdrink in wat ik zeg,
ik ben de brug waarvan ik spring,
ik ben de berg die ik beklim
Ik ben de grote gele rivier,
ik ben dat waarin hij uitmondt,
ik ben mijn mond
(p. 31)
In het allerlaatste gedicht ('Mijn laatste gedicht') kondigt de dichter aan te stoppen met schrijven:
En aldus geschiedde
in het gedicht
dat ik te elfder ure
aan mijn bundel had toegevoegd
en waarover mijn uitgever
de loftrompet stak
omdat hij het van een onbeschrijfelijke
moed vond getuigen
dat van alle gedichten
die ik nog had kunnen schrijven
dit werkelijk het allerlaatste was
(p. 60)
'Geloof een schrijver nooit op zijn woord', gaat hier op. Ook dichter-schrijver Peter Verhelst zei ooit te stoppen met dichten, omdat alles gezegd was. Vervolgens bracht hij toch een nieuwe bundel uit. Een momentopname dus. Ook Huigen publiceerde na zijn besluit nieuwe dichtbundels, maar er is wel sprake van een breuk in het oeuvre.
- Lees verder over Huigens werk: 2: "Wat komt dat komt in golven"
- Terug naar Introductie