2: "Wat komt dat komt in golven"

De bundel Monument voor een verzonnen dichter (1999) sluit met deze titel naadloos aan op het thema van de bundel Laatste gedichten uit 1994. Alsof de schrijver een andere identiteit heeft aangenomen en alsof de vorige dichter was 'verzonnen'. Het gedicht 'Plaats waar gedacht wordt' heeft een filosofische inslag en behandelt verschillende manieren van denken en vooral het nadenken over het denken. De gedichten in deze eerste bundel na 'Het allerlaatste gedicht' zijn minder wijds, meer gericht op een kern, eenduidiger. Ze lijken meer op eenvoud gestoeld, alsof ze vanuit een Zenhouding zijn geschreven.

Niet te denken
maar de plaats te zijn
waar gedacht wordt,

is een innemende gedachte
voor wie anderen graag
voor zich inneemt

maar niet van deze wereld daar
geen gedachte zichzelf denkt

(p. 11)

'Agnosticisme' speelt met woordbetekenissen, maar het blijft niet bij spel en er komt een serieuze omslag:

Ik heb de poëzie altijd graag
naar een andere wereld
willen helpen

Het idee alleen al dat achter
deze wereld een andere
wereld schuilt

(p. 13)

Het ontstaan van een gedicht (of juist niet) wordt uitgewerkt in 'Man voor het raam' (opgedragen aan Jan-Maarten Buissant):

Ik wil graag zien wat ik schrijf
maar steeds weer verbaas ik me
over wat ik starend uit dit raam
nooit zien zal

Dat wil zeggen: het blijft doorgaans
verbluffend leeg in mijn hoofd

Hoogstens vraag ik me af wat die wolken
en die vogels daar doen
en wat ze mij te vertellen hebben

(p. 32)

Herhaling van regels en woorden is de basis van het gedicht 'Zetel van het manna':

Van de identieke en
niet-identieke boom

In het identieke en
niet-identieke bos

Zijn de identieke en
niet-indentieke planken

Van de identieke en
niet-identieke vloer
(p. 33)

Het is de beproefde methode van een kinderliedje en inderdaad blijkt aan het eind dat een lied de regels heeft voortgebracht. Gedurende het gedicht wordt, in dit schommelende ritme, de focus steeds verlegd, totdat het gedicht tenslotte uitkomt bij een man aan tafel: hij beweegt zijn been ritmisch op de melodie van een liedje 'dat hij in gedachten zong'.
Het gedicht 'Ontdekking' gaat over een andere manier van kijken en over de druppel waarin de wereld zich weerspiegelt.


Vandaag ieder uur vierentwintig
keer opnieuw begonnen
met het onmogelijke
te bewerkstelligen en nog nooit
de wereld in een aan mijn wimper
hangende regendruppel zo
weerspiegeld gezien: het hing erom

(p. 37)

In het gedicht 'Klacht' wordt relativerend opgemerkt dat klagen een kunst is die verstaan wordt 'wanneer men graag het geklaag van anderen hoort'. In enkele strofen wordt een beweging gemaakt van groot naar klein en terug, van leven, poëzie, naar het ik en van het ik terug naar poëzie en leven. Alsof er met een zoomlens gespeeld wordt:

Zo mag ik graag klagen
over het leven
en de poëzie
en over mijzelf

En over mijzelf
in relatie tot
de poëzie

En over de poëzie
in relatie tot
het leven

En de rol die ik
daar al dan niet
overtuigd van mijzelf
toch overtuigend in speel

(p. 45)

De bundel Geen muziek & geen mysterie (2003) was de tweede die Huigen publiceerde bij uitgeverij Veen. Deze bundel begint met een herdefiniëring van wat poëzie betekent en dat gebeurt in het gedicht 'Het onbeduidende':

Nooit zal ik begrijpen
de allesomvattende
theorie van een wereld die,

ontdaan van alle poëzie
en alleen door
een handjevol
kenners begrepen,

aan leken zoals ik
door middel van
beeldspraak
moet worden uitgelegd

(p. 5)

Over vorm en inhoud gaat het in 'Het verborgene': in korte regels schrijft Huigen een gedicht dat zo twee pagina's beslaat.

Het heerlijke moment
waarop u
onbedacht
mocht constateren
dat zowel
vorm
als inhoud

en de hele discussie
daaromtrent
berustte op
een misverstand

(p. 28)

In 'Strekking' wordt getoond dat niet alleen denken ongrijpbaar is, maar zien eveneens en hoe lastig het is om iets te begrijpen:

-wat komt
dat komt
in golven,
zegt ook Zen-

Waartoe neigen we dan
als we gebogen over
de fruitschaal
een man zien staan

(p. 37)

Steeds komt Huigen in deze bundel terug bij de vraag wat poëzie eigenlijk is en nergens duidelijker dan in het gedicht met de titel 'Poëzie is':

Voor alles en alle duidelijkheid
niet wat zich zeggen laat
voor wie het zich zeggen laat

Kent geen goede verstaander

(p. 43)