"Met rode tongen wijzen"
Stem onder mijn bed
De debuutbundel van Esther Jansma Stem onder mijn bed (1988) werd door de kritiek gezien als een veelzijdige eersteling, waarin herkenbare zaken verrassend werden besproken. Vooral in de eerste afdeling ('Maar geen bemanning') komen autobiografische elementen naar voren en dan met name familierelaties met vader, moeder en zus. Het titelgedicht ('Stem onder mijn bed') laat de vader aan het woord:
Als het stof onder je bed
worden ze, zei hij. Maar ze weten niet
dat ze dood zijn, zei hij; ze weten
van niets.
Later blijkt dat de vader zelf ook al dood is.
Jullie geven je onmacht
een stem onder het bed en de namen
van goden, zei hij. Want hij wist nog niet
dat hij dood was.
(p. 9)
In 'Elf dagen en nachten' worden jeugdherinneringen aan haar vader ondergebracht in een gedicht over een kind dat op weg naar school fietst langs het dreigende ziekenhuis waar haar vader 'al acht, al negen dagen' wordt verpleegd en is 'blijven leven'.
Elf dagen en nachten heeft hij geschreeuwd
naar een wijkende wereld waarin ik school ging,
iedere dag langs het ziekenhuis
(p. 10)
De vader van Esther Jansma overlijdt als ze zes is, ten gevolge van een auto-ongeluk. In de Amsterdamse Swammerdamstraat durft ze de straat niet op om brood te halen, want:
daar kruipen
portieken de diepte van andere levens uit
als je vlucht, dan raak je weg.
(p. 11)
Zelfs 'In de achtertuin' kan die dreiging opdoemen:
Ik leerde al vroeg te verdwijnen;
urenlang keerde ik tegels in de tuin
en was ik klein
(p. 12)
De ervaringen van het deel uitmaken van een tweeling wordt beschreven in het verschillende gedichten, zoals 'Scheiding':
Huizen waren smalle ruimten,
mensen kwaad, behalve jij;
jij was van mij, een spiegel, bang
wanneer de heersers schreeuwden.
Dochters waren we, en daarin samen
(p. 14)
En in het gedicht 'Driehoek':
Tweeling zijn we, Januskop,
vrucht van elkaar
(p. 15)
De tweeling staat ook in relatie met een 'moederplaneet':
Aan de driehoek die we met haar maken
meten we de vorm van de oneindigheid.
(p. 15)
De moeder is bepalend aanwezig, als 'matriarch':
Dit huis omcirkelt duizend beelden
die uit mijn moeder zijn ontstaan.
Er is geen mens die me uitputtender
bewoont; zelfs wat aan minnaars
door me stroomt, heeft nu haar stem.
(p. 16)
En in het gedicht 'Spookschip' komt de moeder ook voor.
De magere vrouw die in haar knielt
spreekt tot haar met geluiden
van vel over steen
over vaders die verdwenen.
(p. 17)
In deze strofe komen de thema's uit de voorgaande gedichten (ouders en kinderen) samen. Een veel voorkomend motief in Jansma's gedichten is steen, gesteente en verstening (beide ouders van Jansma waren beeldhouwer).
haar liefde is als stenen.
(p. 18)
Steen of in steen veranderen. Als beeld voor de ouderdom, voor het verouderend lichaam, gebruikt Jansma het motief steen in de eerste gedichtenbundels met zekere regelmaat.
zelf reik je
onwillig naar je gebarsten wangen.
(p. 19)
De tweede afdeling van de debuutbundel heet 'Slagzij maken' en gaat onder meer over reizen. Bijvoorbeeld over het uitzicht in Florence.
Onder ons balkon, dat als een tong
in de stoffige mond van de stad ligt
(p. 24)
De tong komt als motief vaak terug - ook in andere bundels van Jansma - zoals op de ochtend die als 'een blauwe oceaan' is:
waarin jouw tong, zeeanemoon,
zich krult en uitrolt.
(p. 31)
De derde afdeling heet 'Portretten' en bevat gedichten over ouder worden en het grip krijgen op de tijd.
Haar gezicht grijpt eten als een vuist
die zich spant, ontspant in laat protest
tegen sterfelijkheid; ze wil niet dood,
ze kan nog wel een ronde.
(p. 39)
In deze 'Portretten' komen sfeerbeelden voor, soms met 'zachte' mannen, zoals het type 'kaperkapitein', dat in het gedicht 'Schone slaper' over vrouwen opmerkt:
ze zijn onder hun kleren soms
onverwacht zo warm aanwezig
(p. 40)
En de boer die een opgraving bezoekt, staat peinzend voor de putrand:
Hij wil horen hoe de sloten liepen.
(p. 43)
In de vierde en laatste afdeling van de bundel komt de verdwenen vader opnieuw aan de orde, zoals in het gedicht 'Papier mache':
de vodden die mijn vader werd,
de flarden tekst uit oudgeworden monden
kauw ik tot pulp.
Zolang ik sigaretten rook
ruikt hij met mijn hand naar shag,
zolang ik bang ben voor de dood
blijft hij dat ook.
(p. 49)
Een ongebruikelijk thema voor gedichten neemt Esther Jansma in dit deel bij de kop: zwangerschap. Over de 'Zevende maand' bijvoorbeeld:
Zo ontsta je met elke beweging uit niets.
Al duizend levens kreeg je toegedacht.
(p. 55)
In 'Zwangerschap' wordt zwangerschap gekoppeld aan godendom, onvolmaaktheid aan sterfelijkheid, en kan de aanstaande moeder zichzelf niet langer zien als een eindpunt in een keten, maar verandert ze in een nieuw beginpunt:
Het rammelt in mij en het groeit.
Er komen nieuwe ruimten bij.
Soms ben ik bang. Ik begrijp het
niet goed. Hoe volmaakt is een god
die veranderen moet?
(p. 56)
Bloem, steen
Esther Jansma's tweede bundel Bloem, steen (1990) bevat ook heel persoonlijke poëzie. De opdracht (voorin) 'om Floortje' is gekozen, omdat haar eerste dochtertje bij de bevalling door zuurstofgebrek overleed. De aanleiding mag triest zijn, de thema's worden rationeel behandeld: het kind wordt beschreven, woede wordt gevoeld, afwezigheid geconstateerd, gemis als levensgezel aanvaard. Alleen de secties in de bundel kregen titels, de gedichten zelf niet. Die afdelingen zijn 'Onder gewelven van been', 'Met rode tongen wijzen', 'Een pauze in het water' en ze worden omsloten door een proloog en een epiloog. Het eerste gedicht lijkt een vervolg op het gedicht 'Zevende maand' uit de debuutbundel.
ik wil duizend levens voor haar.
En ze mag in duizend mensen
spelen, dat ze doodgaat.
(p. 11)
En ook over het moederschap gaat een volgend gedicht:
De melk in mij,
de moeder die ik ben -
wat moet ik nu?
(p. 15)
Maar het kind is als een steen geworden en de dode wordt begraven 'onder gewelven van been':
en daar legt hij haar neer
en kijkt naar haar,
naar hoe ze stof aanraakt,
stof haar, hoe dood nooit
meer wil, dan zichzelf.
(p. 17)
Het kind kon niet blijven, wat wel steeds blijvend blijkt is het missen van het kind. Het lichaam houdt dat gemis vast; de tong bijvoorbeeld:
Mijn tong hangt
in wat ik niet ken:
een heelal, een bekken,
mondvol zwart.
(p. 19)
Het verlies is niet te bevatten, er wordt gedagdroomd over het kind, maar die dromen zijn kort, want de realiteit schemert er steeds doorheen:
Wat? Boem, ze leeft,
boem, ze gaat dood.
(p. 20)
De tweede afdeling van de bundel heet 'Met rode tongen wijzen' en gaat onder andere over families. Daar schijnt weinig eer aan te behalen, vergelijkingen met apen passeren de revue.
Hun taal is aaien met geluid,
met rode tongen wijzen: ja oog, ja hoofd.
Steeds likken ze zich schoon, slikken ze,
komt pap omhoog.
(p. 28)
De afdeling 'Een pauze in water' bevat gedichten over de dood, over de stilte die doden veroorzaken en de ruimte die ze achterlaten.
Dood is een huid van haar
vandaan, haar rode mond
haarscherp
(p. 37)
De dood is zo dichtbij als de eigen huid: altijd en overal aanwezig, bijvoorbeeld - daar is hij weer - de tong in de mond.
Ze is een steentje in mijn mond,
ik zuig op haar: mijn dorst
gaat nooit meer over.
Ook wat ze niet is, bestaat.
(p. 41)
Bij een bezoek aan het graf, de grafsteen, wordt ook stilgestaan bij alle andere doden in de familie: oma, vader, dochter. Er wordt herdacht, verlies gevoeld, een bloem opgemerkt:
Floortje, de zonnebloem
staat er nog.
En ook al mogen de bezoekers niets aanplanten op de begraafplaats, de zonnebloem staat er:
Dag kleintje, wie heeft je bloem
zo teder opgebonden?
(p. 43)
In de 'Epiloog' wordt alsnog het beeld van de opgegroeide dochter opgeroepen:
Ik kijk in haar en denk: 'Wat is ze mooi.'
Mijn vingers laten vegen achter.
(p. 47)
- Lees verder over Esther Jansma: "Ze zit in een kijkdoos"
- Terug naar: Introductie