"Bijna kussen denk ik"
Dakruiters
Van de bundel Dakruiters (2000) verscheen de eerste sectie eerder in een aparte uitgave in het voorjaar van 1999 bij de Atalanta Pers in Baarn. Shakespeare wordt in 'Hebben' diverse malen aangehaald.
Zoals rozen openen, je ziet het niet,
een roos is een roos is, is plotseling weten:
wat werd gezegd zegt zich weer, missen
is veelvoud, blijft opengaan in het nu
(p. 9)
Filosoferen over hebben en zijn, zijn en niet-zijn komt naar voren in het gedicht 'Een soort opeten'.
Wat nooit iets wist, zonder pijn zichzelf
niet meer b.v. een stoel had kunnen zijn
kan ik alleen maar hebben lijkt het
door het te noemen (een soort opeten)
en grijpt terug naar de roos in de strofen:
die roos, die roos denk ik als ik zeg
ik wil haar terug, desnoods zo:
niet-roos
(p. 11)
Verschillende manieren van missen komen steeds terug, zoals in het gedicht 'Realisme' over het eten, in het dagelijks leven.
Het bestaat al voordat ik het ophap
oplik uit het onbekende
(p. 18)
Ook is gemis het uitgangspunt in het gedicht 'Nominalisme', over namen, naamgeving, woorden.
Het is er niet tot ik het bedenk
met een naam. Ik noem het roos
(p. 19)
De niet-rijmende gedichten van Jansma hebben soms de vorm van sonnetten of andere klassieke versvormen; in deze reeks gebruikt ze steeds gepaarde regels, een vorm die veel door Gerrit Kouwenaar is gebruikt. De volgende afdeling van de bundel heet 'Voetlange vloertjes' en maakt een eind aan de romantische voorstelling van het verleden.
Soms werd een hooivork in het onrustbarende gestoken.
Men rook niet lekker, men was in het algemeen
in geen enkel opzicht lekker, men sloofde wat af,
er werd in god en honderdduizend gedetailleerde zonden geloofd
(p. 23)
In de meeste gedichten is het definiërende van Jansma aarzelender geworden. Zinnen worden niet langer afgemaakt; woorden als dissonanten tegenover elkaar geplaatst. In het gedicht 'Aan' wordt voorgesteld dat een mens kan worden 'aangezet' als een machine.
tik tik tik opgeluchte dat valt
in de juiste plek de enige
van machinevet veiligste voorzichtigste
vingers de blijdschap dat het gaat
(p. 26)
Er zijn acht gedichten gewijd aan 'Sjaantje en de ruimte'. Het lijkt erop dat Sjaantje een getekende fantasievrouw is, die in een vreemd soort huis woont:
naar alle kanten open
de plek in een bruine schets (krijt)
waar niks zit. De wind giert erdoorheen
maar het is de wind niet, het is willen
dat je daar bent.
(p. 29)
Sjaantje weet veel. Zo zegt ze 'waar alles instort gebeurt het' en ze wil niet verhuizen want ze is gewend waar ze is. Ze wacht op de winter.
maar het was niet echt, natuurlijk, jij kwam
me redden en dat wist ik. Allang. Ik speelde alleen
eenzaampje.
(p. 31)
Dan blijkt dat het om een kind gaat. Sjaantje houdt van stenen, waarmee verschil tussen binnen en buiten kan worden gemaakt als ze gestapeld zijn.
O nee, zegt ze haastig, dat dacht ik vroeger toen
jij er niet was en beweging niet telde.
(p. 32)
De jeugdherinnering wordt in Sjaantje gepersonificeerd op een sprookjesachtige manier. Sjaantje groeit op, wordt speciaal. Een tweede reeks gedichten over haar heet 'Sjaantje en de vis':
Een denkmeisje
met gedachten als vissen, als je niet uitkijkt
zwemmen ze weg. Zo ben ik nou, zegt Sjaantje
als dat hoofdje vol vissen, zoveel in zo weinig
tijd weinig o
(p. 33)
Jansma varieert op de identiteit van Sjaantje, ik en jij.
bijvoorbeeld wanneer we achterover
met veel ellebogen geleund op die treden
en plotseling van die ogen
waartussen van alles zich regelt
Hier vindt een autonoom proces plaats, waar geen controle over is.
iets doen met elkaar. Bijna kussen denk ik
en zeggen, hee wacht eens, jij bent het, met mij
(p. 34)
Sjaantje haalt haar voedsel (vis) uit de wijnkelder, dat wil zeggen: ze hakt er een wak in en vist in het water onder de wijnkelder:
Wil je spelen vraag ik.
O ja zei jij en toen kwamen er kussen
(p. 35)
Vervolgens vallen jij-persoon en Sjaantje samen. Het slot van de reeks is opeens een heel ritmisch, Dada--achtig-gedicht, dat de golfbeweging en de kussen visueel en auditief verbeeldt.
Visje. golf. Kust visje golf? Visje ademt. Sjaantje ademt 'huis,
jij', ademt, kust, ademt 'huis'. Visje, Golfkust, visje, golf,
visjesgolf. Sjaantje: golfvisje. Visje, jij, HUIS - Sjaantje ademt.
(p. 36)
In het lange, epische gedicht 'Duizend' (tien pagina's) schetste Esther Jansma duizend jaar geschiedenis van de mensheid. Het gedicht verscheen eerder in een aparte jaarwisselingsuitgave van De Arbeiderspers, waarvoor 'tijd' natuurlijk een toepasselijk thema is. Ze reist daarbij langs Tiel, Canterbury, Wittewierum, Kortrijk, De Wereldzee (Columbus), Alkmaar, Bougon, Cuzco, Viareggio en eindigt in Amsterdam in het jaar 1999. Het begint in Tiel, waar hongersnood en leed aan de orde van de dag zijn rond het jaar 1000 en in het jaar 1006 wordt het nog erger.
Dat jaar plunderden Vikingen de handelsstad Tiel.
Godzijdank weet geen mens wat hem wacht.
en:
In onze woonplaatsen heeft de zee de dijken geslecht.
Akkers en boerderijen overstroomd. En nog een ding
zegt hij: rondom vijfduizend mensen verdronken.
(p. 40)
Veel ellende wordt met ironie tegemoet getreden.
Gelukkig
gebeurden er soms grappige dingen, galoppeerden
bijv. duizend paarden met te dikke mannen verkeerd en
verzopen. Bij Kortrijk was dat.
(p. 42)
Met Columbus op pad in 1492 is anders dan in de geschiedenisboeken achteraf:
Vannacht vallen wij van de wereld, vannacht vallen wij
van de wereld. Columbus' vaarlui, kerels die merendeels vrij-
willig aan boord waren, weenden
(p. 43)
Bij Viareggio (1822) gaat het - ook al zijn het de tijden van de grote Engelse romantische dichters - niet veel minder hard aan toe:
Diezelfde achtergrond waar lord Byron
naar verdween tijdens het verbranden van het lijk
van zijn vriend Shelley. Werkelijk cremeren is
een te duur woord voor hoe dat ging: de hitte van zon
en vuur waren zo intens dat de lucht ging trillen en beven.
Het lichaam barstte open en het hart kwam bloot.
(p. 47)
Dit lange gedicht is eigenlijk een Leerdicht. Maar de conclusie leert juist dat mensen van de geschiedenis niets leren en sterker nog, dat ze de geschiedenis niet kunnen onthouden of bevatten:
Alle beroerde dingen, alle handelingen die zo verkeerd
zijn dat ze niet in je hoofd passen, zijn gebeurd.
(p. 48)
- Links en terug naar: Introductie