Gerrit Komrij werkt aan een bloemlezing kindergedichten in de Koninklijke Bibliotheek en houdt een weblog bij
Maandag 11 juni 2007
Omdat ik maar 14 dagen bloemlees per jaar, is het altijd de vraag of ik het wel haal. Vanzelf haal ik het. Maar ze moeten me hier wel af en toe terugroepen naar de wereld. Elke seconde is een weelde. Zouden Paul van Capelleveen en Reinder Storm, conservatoren van dit eerbiedwaardige instituut met Jeannette Kok, mijn beschermengelen hier, me geen ongehoorde lomperik vinden nu ik verstoord opkijk als ze af en toe, gewoon uit vriendelijke beschermengelzucht, mijn leesvertrek binnenstappen?
Vanochtend was de taxi die me van mijn slaapplek in Wassenaar naar de KB moest brengen een half uur te laat. Zelden heb ik zo staan trappelen. Van woede om secondenverlies.
De eerste zeven meter oudheid - negentiende en achttiende eeuw - zijn binnengebracht. We denken in meters. Het behang dat boekenwand heet verandert van stemming: eerst wild en bont en fel, nu bruin en donker en deftig. Van papier naar linnen, van kermisletters naar goudopdruk.
Gaat het een beetje? vragen me mijn beschermengelen op zorgelijke toon. Er komt een moment, ineens, dat besef ik, dat ik me voel zoals iemand zich voelt als hij in de 78ste zaal van het Prado staat. Hij ziet zijn zoveelste Rubens, en denkt Rubens, so what? Hij ziet geeneens een Rubens meer. Zover is het nog niet. Dat moment zal pas intreden uitgerekend op het moment dat alles af is.
Halverwege de twintigste eeuw was ik zelf een kind. Mijn moeder heette Lijs en mijn tante Annie M.G. Schmidt. Maar uit de jaren vijftig stamde ook de dichter Peter Jaspers. Nooit van gehoord! Nooit zelfs maar horen noemen! En toch, een fijne dichter, jaren vijftig of niet. Van hem vandaag, uit de bundel Met rozerood en zonnehoed 'Ik wou zo graag'.
© Gerrit Komrij
Ik wou zo graag
Ik wou zo graag een toverpen
voor Nederlandse taal.
De woorden, die ik echt niet ken,
verbeterde de toverpen,
onzichtbaar, allemaal.
Ik wou zo graag een rubber vel,
het zwembad is zo lang,
dan dreef ik eindelijk es wèl,
gewoon maar op m'n rubbervel
en was ik niet meer bang.
Ik wou zo graag een wonderpil.
Dan kon ik voor de klas
de beurten maken die ik wil,
omdat ik door de wonderpil
niet meer verlegen was.
Ik wou zo graag met een feeënstaf
naar aardrijkskunde gaan,
dan wist ik er genoeg van af,
dan wees ik met de feeënstaf
de goeie stippen aan.
Ik wou zo graag, ik wou zo graag,
gebeurde het nou maar,
het hoeft niet eens meteen vandaag,
maar morgen dan, ik wou zo graag.
Waar woont de tovenaar?