Gerrit Komrij werkt aan een bloemlezing kindergedichten in de Koninklijke Bibliotheek en houdt een weblog bij

Dinsdag 12 juni 2007

Zich door een rijstebrijberg heen eten, ’t klinkt als een corvee, en zo wil ik niet klinken. Zo is het ook niet. Ik boor me wel een tunnel door iets, maar door wat? Door de jaarringen van het boek – het kinderboek, de versieringen, de illustraties, de banden. Tweemaal heb ik tot nu toe een grondige omslag gezien – omstreeks 1900 en omstreeks 1970. In 1900: bevrijding van de stijve negentiende eeuw (voorlopers genoeg). In 1970: bevrijding van alles wat nog naar crisis en hongerwinter zweemde. De perioden 1880-1900 en 1950-1970 zijn dan schemergebieden: pioniers en avant-garde bombarderen de oude doos. Wat maal ik er eigenlijk om? Alleen de inhoud moet me interesseren.

De inhoud verandert mee. Na de dominees van de negentiende eeuw volgen de schooljuffrouwen in hun wiegele-wiegele-windejurken. Het, zeg maar, montessori-achtige, zeg maar, het fröbelachtige doet z’n intree. De dames nemen het roer over, Gooise dames vaak, handwerkende, welwillende dames. Mannen tellen alleen nog mee als ze hoofd ener lagere school zijn.

In de jaren ’70 van de vorige eeuw veroveren de mannen een deel terug, in elk geval in de kinderpoëzie. Het zijn dan wél de vervrouwelijkte mannen, de mannen die duidelijk mee afwassen en meepamperen en mee-dideldomdeinen. Homo’s zelfs. Als ze al meester of schoolleraar zijn, dan zetten ze dat niet in feestverlichting op hun voorhoofd. De grens tussen vaders en moeders is vervaagd. Van de weeromstuit gaan sommige dames de clown uithangen of het glibberige pad van de baldadigheid op. 

Aardverschuivingen. Maar de eeuwige dingen blijven, sommige thema’s blijken niet uit te roeien. De thema’s van de tijd dringen zich er tussen. Huisdieren, waanzinnig veel huisdieren, verdriet, gescheiden ouders, groei (lekkere groei en gênante groei), het nut en genot van schuilhoeken, geheimen en holle bomen. Er is een ware wedkamp gaande in wat het zieligst is: de dood van oma of de dood van de hond des huizes. Uitslag voorlopig onbeslist. Ja, en ook de paddestoelen en puntmutsen zijn er nog. Wie praat tegen wie?

Vandaag het gedicht ‘Vis’ van Edward van de Vendel. Het staat in zijn bekroonde bundel Superguppie. Voor alle eeuwen en werelden en mensen en kinderen die langs elkaar heen praten …

© Gerrit Komrij

Vis

Visje wil iets zeggen,
visje kijkt me aan.
Visje tuit zijn lippen,
maar ik kan hem niet verstaan -
nooit en nergens kan ik horen
wat visje van me wil:
ik ben waterwoordendoof,
visje mensenstemmenstil.