Gerrit Komrij werkt aan een bloemlezing kindergedichten in de Koninklijke Bibliotheek en houdt een weblog bij
Woensdag 13 juni 2007
Tien dagen verder en de kasten staan opnieuw helemaal vol. De laatste zending van twaalfhonderd titels. Ik zit in de binnenste cirkel. Verzamelingen van roemruchte verzamelaars staan klaar, de collectie Boekenoogen, de collectie Landwehr, de collectie Boek en Jeugd, de collectie van het Openluchtmuseum. Boeken met bewegende beelden, met uitklapbare taferelen, in gekke vormen, met griezelige plaatjes. Het water loopt je in de mond. Boeken die ik maar één keer in mijn leven zal tegenkomen. Ik weet nooit precies waar zich tussen alle visuele overdaad de gedichten bevinden die op me zitten te wachten: soms met een plukje tegelijk, soms ééntje in een zee van plaatjes. Boe! daar grijpt me een gedicht bij de kladden. Meestal van een dichter die een beetje aardser is, die je een knipoog van verstandhouding geeft. Kinderdichters uit de 18de en 19de eeuw vergeten vaak dat kinderen geen echte ‘cherubijntjes, serafijntjes, engeltjes van omhoog’ zijn, dat ze in werkelijkheid ‘geen blauwe vleugeltjes hebben – maar dikke beentjes’ (ik citeer uit Verzamelaars en verzamelingen, een boekwerk over de Koninklijke Bibliotheek). Gelukkig kom ik gedichten genoeg tegen over jongetjes en meisjes, die rampen veroorzaken of, nog mooier, zelf rampzalig ten onder gaan.
Rondom me staat de bibliotheek van Woutertje Pieterse. Woutertje leest over kaatsen (het balspel) –
’t Kaatsen is een goede zaak
Het schept de mensen veel vermaak –
en Wouter bestudeert de wiskundesommen en het artikel over ‘wonderwoorden’ in de bundel Kleine Jakob in zijne studeerkamer. ‘Bij het ontvangen van een boekgeschenk’ staat er en Wouter stoot op de regels:
En ‘k verlang wel deeglijk hartlijk
Naar nog zulke boeken meer –
en, zie, in zijn studeerkamer regent en hagelt en stormt het boeken. De boekeneter eet mij op! Vergeef me, ik begin te raaskallen, ik moet snel weer aan het werk. Gedichten zoeken in het grote bos. Mijn rug begint al te knakken en het bladgoud op mijn voorhoofd bladdert af. Snel! Sleutelwoorden vandaag: tucht, werkpaard. Kleine Jakob in zijne studeerkamer zingt daar de lof van.
© Gerrit Komrij
De tucht
O hoe nuttig is de teugel
aan het woeste en sterke paard!
’T waar’ voorzeker niet te dwingen
zonder iets van zulken aard;
’T zou geen menschen willen dienen;
’t holde altijd, sloeg alles stuk;
Nu, daar ’t luistert naar den teugel
is ’t voor ons een groot geluk;
Want tot pracht dient het alleen niet,
ook niet tot den krijg alleen;
Maar het dient, in andre standen,
tot onschatbre werkzaamheên.
Brengt het niet ontelbre goedren
van het een naar ’t ander oord?
Gaan wij niet in onze wagens,
door het paard, gemaklijk voort?
Even eens in onze schuiten?
En wat is ook niet het paard
Voor een aantal fabrijkanten
onberekenbaar veel waard’?
Vraag den sleper naar zijn waarde;
vraag den boer, en dus den man,
Wiens verstand en werkzaamheden
men volstrekt niet missen kan.
‘K bid u, neem eens, bij gedachten,
’t paard uit onze maatschappij,
En gij ziet ons ras verlegen,
wat van ons vernuft ook zij.
Ja, het paard is voor ons menschen
thans een groot, zeer groot, geluk;
Maar hadd’ men het niet beteugeld,
’t holde altijd, sloeg alles stuk.
En dat nut, dat ge in ’t beteugelen
van de woeste paarden vindt,
Ligt ook in het redelijk dwingen,
in ’t beteugelen van het kind:
’T wierde een woest, nutloos wezen;
nu wordt het, van trap tot trap,
Zulk een wezen, dat versierd is
zoo met kunst als wetenschap.