Gerrit Komrij werkt aan een bloemlezing kindergedichten in de Koninklijke Bibliotheek en houdt een weblog bij
Donderdag 14 juni 2007
Is het dag tien of dag elf? Ik lees in het weekend, in de vroege morgen, ik moet u waarschuwen, lezer, ik ben een beetje mal geworden. Ik kwam op de gang van de Koninklijke Bibliotheek een vriendin tegen en ik zei Pollewop. Ik zag haar wenkbrauwen nooit zo hoog staan. Ik had gisteren een kennis aan de telefoon en ik zei Suja, suja. Hij verbrak de verbinding. Ik schrok vannacht wakker in mijn Wassenaarse kloostercel en door de patrijspoort ontwaarde ik, buiten op het natte gras, Piet de Smeerpoets en Jan Klaassen. Ei ei dideldomdei. Ik belde met mijn vriend in Portugal en informeerde hoe het met Sultan ging. Onze hond heet Sjako. Onze andere hond heet Couscous. Maar in mijn wereld heten alle honden Sultan of Turk.
Ik heb nu zoveel honderden Hieronymus van Alphens, post-Hieronymus van Alphens en post-post-Hieronymus van Alphens gelezen dat ik opveer als ik in een jongensgedicht regels tegenkom als
Daadlijk neemt hij nu zijn hamer,
En hij zoekt een spijker op,
En hij neemt zijn zusjes popje,
En hij slaat met groot geklop,
Juist die hele grote spijker,
Midden op dat popjes kop.
– dat is het betere werk. Ook een jongen die ineens teveel gereedschap in handen kreeg. Wat is er met jou aan de hand? vroeg de man die me gisteren naar mijn Wassenaarse kloostercel vervoerde, toen ik tot hem zei: O wat blaat het schaapje blij. Niets, niets.
Florence Nightingale, zij die al het bittere op zich neemt, groet u. Waar ben ik aan begonnen? Vandaag kwam ik een prentje tegen in een oud, oud boekje. Er staat een schooljongetje op de 'schandeplaats'. Om zijn nek hangt een bord. 'Domoor' staat er op. Zo voel ik me. Maar verder gaat alles goed. Ik kom veel grappige, ontroerende, vermanende, idiote en knappe gedichten tegen, dank u! En morgen is alles klaar!
Neem me niet kwalijk, maar ik moet voor vandaag wel een versje kiezen waarin een zekere Gerrit wordt geprezen. Het versje heeft een toepasselijke titel, dat moet ik toegeven.
© Gerrit Komrij
Goedhartigheid
Gerrit was een leerzaam knaapje,
Ondeugd wierd van hem gehaat,
Eerlijkheid was zijn bedoeling,
Deugd zijn spreuk steeds vroeg en laat;
Hulp en troost schonk hij zeer gaarne
Aan zijn lijdend’ evenmensch,
Rampen zocht hij te verzachten,
’t Weldoen was zijn grootste wensch.
In ’t betrachten van zijn’ plichten
Ging hij steeds met ijver voort,
Hield goedhartigheid voor oogen
Wijl die deugd hem ’t meest bekoord’.
Ieder heeft hem steeds bemind,
Want hij was een deugdzaam kind.