Gerrit Komrij werkt aan een bloemlezing kindergedichten in de Koninklijke Bibliotheek en houdt een weblog bij
Vrijdag 15 juni 2007
Nu ja, klaar... Meer dan tweeduizend vellen met gedichten liggen er, een torenhoge stapel. Maarten, die deze week de kopieën maakt en voor de orde zorgt, heeft een extra set gekopieerd, voor als zondag het vliegtuig naar beneden zou storten. Dan stort ik mee, maar gelukkig, de papieren zijn er nog.
Torentje, torentje, bussenkruit.
Wat zou een ander ervan maken? Ik zie die stapel als een enorme steen waar ik thuis een beeld uit moet gaan hakken.
De laatste loodjes zijn verrukkelijk. Ze wegen niet in het minst zwaar. Een paar zeventiende-eeuwse boeken in black letter, die regel voor regel gelezen moeten worden. Een paar dichteressen van nu, bundels waar ik rillerig tegenop zie. We lusten ze rauw.
Ik heb boeken in handen gehad die tot de mooiste van hun eeuw behoren. Wat hebben tekenaars en graveurs en inkleurders zich uitgesloofd om die schapen hun zakgeld uit de zak te troggelen!
Er moet hier achter de schermen hard zijn gewerkt. Af en toe, in een gesprek op de gang of in de lift, kreeg ik een tipje van de sluier opgelicht. Ik begon te vermoeden hoeveel voeten het in de aarde moet hebben gehad om alles hier zo te organiseren dat ik in samengebalde tijd zoveel boeken onder ogen kon krijgen. Al mijn beschermengelen in de KB hebben het koninklijk voor me verborgen gehouden.
De enorme steen gaat vanavond mee. Maandag al staat-ie me in Portugal aan te staren.
Alarmfase nummer twee.
Vaarwel.
Als laatste een gedichtje van Jac. van Hattum. 'Buiten' heet 't. Zomaar een gedichtje, niks bijzonders. Ook niks onbijzonders. 'k Citeer het omdat Jac. van Hattum de eerste kinderdichter was die ik in levende lijve ontmoette. Ik was student, met zwarte coltrui en existentialistische krullip, en werd door een vriendje meegetroond naar Jac. van Hattum. Huurwoning ergens in Amsterdam-Zuid. Alles pluche en trijp en batik. Halfduister. Aan een tafel zat Jac. van Hattum, wit haar en bleek. Honderd moet hij zijn geweest. Ik was tachtig jaar jonger. Ik had geen idee dat hij kindergedichten schreef.
© Gerrit Komrij
Buiten
In Koelucht en in Zalk
daar is het heerlijk wonen,
daar hangen aan een balk
de zakjes bruine bonen
en vlak ernaast, aan een soort rek,
de droge worsten en het spek.
Men zegt op iedre boerderij:
'Kom, neem een stoel en schik eens bij!'
En, vóór je bent gezeten,
dampt reeds je bord met eten.
De boer gaat voor in het gebed;
de pet wordt afgenomen;
hij zegt, wordt die weer opgezet:
'Wel mag het je bekomen!'
In Zalk of Koelucht zou ik graag
wel altijd willen wonen,
want niets is zo goed voor de maag
als spek en bruine bonen.