2: "Hun zonderlinge mededelingen"
In 1994 verscheen Zwaluwstaartjes, met op de omslag een pentekening van Lucebert. Lucebert heeft Koenegracht destijds bij de Bezige Bij aanbevolen. Beide dichters schetsen een werkelijkheid die enigszins vreemde trekjes vertoont. Ook bij de dichter Bloem vond Koenegracht inspiratie. De visie van Koenegracht op de relatie tussen man en vrouw is beeldend weergegeven in 'Huwelijk en gezin'.
Het onweer is de vader van de dingen.
Maandag is de moeder.
Vader hangt in 't tuintje
met een blauwe kop,
maar moeder laat hem er niet in.
(p. 13)
Het mooie van 'Landslakken' is dat ze nooit mooi moe worden, maar ze hebben nog meer goede eigenschappen die mensen ontberen. In de laatste regel is de beweging van het slakkenhuis bijna waar te nemen.
Ze kunnen zich niet vergissen, houden van
liggende dingen, blaadjes, hout van onbekende
oorsprong en groeten u voortdurend als altijd
u duizendmaal toegenegen.
(p. 48)
De bundel Alles valt (1999) is opgedragen aan de moeder van Koenegracht. Een aantal van deze gedichten is ook te lezen in de geïllustreerde bundel Zullen we dansen, schat (1999). Er is een sprookjesachtig gedicht over een brug die getroost moet worden, omdat hij de overkant niet meer haalt. Het heet 'Epigram'.
Ik troost hem met verhalen over de duizeling
en het donker van zijn eigen holten.
Maar deze klimop van verhalen
heeft hem zacht en groen gemaakt en onherkenbaar.
(p. 9)
In 'Aan de rivier' wordt heel vanzelfsprekend het visioen tastbaar maakt.
Visioenen liggen tussen het gras
voor het oprapen en de geliefden
houden van elkaar.
(p. 10)
'4' uit de cyclus 'Vadertje zoetwatergids' plaatst de lezer in een omgeving die communiceert met de mens.
Door de lucht gingen bedaarde bergen.
Mijn vader hield wel van die dingen
en hun zonderlinge mededelingen
hangend boven de huizen, de bruggen en de heggen.
(p. 21)
In de verzamelbundel Vroege sneeuw (2003) is een selectie van alle gedichten die Koenegracht tot nu toe publiceerde opgenomen, aangevuld met elf nog niet gepubliceerde gedichten.
Opvallend bij deze elf is dat er een aantal van het genre 'light verse' bij zijn. Zoals het 'Gedicht dat goed afloopt'. Hierin is eindrijm gebruikt, waardoor het enigszins op een versje lijkt en grappig aandoet. Als de 'ik' op een rijtje zet wat hij bereikt heeft dan komt hij tot een hoopvolle constatering.
Als je verdroogd op zee drijft
en er is geen hoop meer maar slechts dorst
je laatste beker heb je trillende vermorst
en barsten schieten in de plank
wiens hoofd duikt er dan lachend uit het water
wie zegt er dan: zorgen zijn voor later?
Je vrolijke vriend Frank.
(p. 169)
- Terug naar Introductie