Er zijn in Oostenrijk veel hoge bergen.
Hoe in de nacht leidingen verzuilen.
De reuzen willen ruilen met de dwergen.
Kijk, Kloos zit op een bloem te huilen.
Maar jij huilt met één opgetrokken been,
Ook wel op zachte, maar zo vreemde wijze:
Je staat als zuil om hek van zuilen heen,
Enclave. Vrouwen dalen, mannen rijzen.
Waarom de tranen juist in kalme tijden?
Talloze klieren werken op de fallus,
En als je neuken wil, dan moet je lijden.
Je weet niet of met Kloos dat het geval is.
Uit: Gerrit Komrij: Alle gedichten tot gisteren. Amsterdam [etc.]: De Arbeiderspers, 1999, p. 48.