A
Waarom pronkt die Komrij toch steeds zo banaal
Met die verborgen bedoelingen? Z'n verhalen
Getuigen waarlijk van Schraalhans' brabbeltaal
Met een ijselijke inslag van het anale.
't Zijn koekoekszangen waar ik niet om maal.

B
't Zijn lege spelen, Mijnheer¸'t is voos geklater.
En wat te zeggen van z'n malicieuze
Dédain? Hij verbeeldt zich op sterk water
Te schrijven tussen literaire gazeuse.
Zo'n hoogmoed bewaart hij maar voor later.

Uit: Gerrit Komrij: Alle gedichten tot gisteren. Amsterdam [etc.]: De Arbeiderspers, 1999, p. 91.