Waarin de schrijver zich in indroeve bespiegelingen over de ouderdom verliest en hypochonders verzoekt terstond verder te gaan met het volgende vers


Als je zo oud bent als Zizi Maelstrom
Is meestal alles donker om je heen.
Je ziet je ogen: ze zijn dof en stom.
Je armen en je buik: vel over been.

Je vrienden zijn, zoals ze zeggen, 'heen',
Je dromen: dood; je hoop: een aftreksom;
Je jeugdherinnering: één pleistoceen;
Je snuift: bederf; je hoort: een verre trom.

Zo stond Zizi die avond voor de spiegel
En zag de holle gaten in haar buik.
Waarna zij zich, met hitsig heupgewiegel,
Bevredigde met haar jeneverkruik.

Uit: Gerrit Komrij: Alle gedichten tot gisteren. Amsterdam [etc.]: De Arbeiderspers, 1999, p. 183.