Eens was de wereld vol begoochelingen.
De bomen waren kooien voor de vogels
Waarin ze machtig helder konden zingen
En fluiten konden als revolverkogels.
Ook mooi waren de zeeën, vol van bloed.
Veel mensen hadden kleine, hoornen neuzen
En ogen van metaal. Onder hun hoed
Droegen ze codes mee, heel curieuze.
Wanneer ze hun vertrekken binnengingen
Stonden hun tafels en hun kasten vol
Van glinsterende, ongewone dingen.
Dan zongen zilveren lepels, in b-mol,
Een lied van pijnbomen en van seringen,
En niet uit treurigheid, maar voor de lol.
Uit: Gerrit Komrij: Alle gedichten tot gisteren. Amsterdam [etc.]: De Arbeiderspers, 1999, p. 203.