Je kijkt verslagen naar het stel soldaten
Dat op het land zwerft, vuil en blind en oud.
Soms struikelen ze over ledematen.
Hun botten knisperen als sprokkelhout.
Nog vaak weten ze iets van kazematten,
Van muzikanten, rumba's en parfum,
Van handgranaten, uit elkander spattend,
Van kratten brandewijn, Jamaica-rum,
Van drums, een wild gekrijs in nachtgewelven,
Een blauw dooraderd vrouwenbeen, nog vaag
Voelen ze hun nek trots in hun kraag.
Dat is de wereld niet meer van vandaag.
De klok staat stil om twintig over elven.
Ik zie ze strompelen - en zie mezelve.
Uit: Gerrit Komrij: Alle gedichten tot gisteren. Amsterdam [etc.]: De Arbeiderspers, 1999