Ik vond mezelf die middag traag terug.
Ik had mijn lichaam hopeloos verloren.
We liepen over een vervallen brug.
We stonden tot ons middel in het koren.
Ik wist het niet. Ik was als hem geworden.
Een jonge ondeugd uit een mooie droom.
Ook ik was sterk. Ook ik kende geen schroom.
Het onkruid dat ik tegenkwam verdorde.
Viooltjes schoten uit de grond, narcissen.
Nog voordat zij zich konden vergewissen
Van zoveel schoonheid was ik al voorbij.
Met moeite, schoksgewijs, hervond ik mij.
Uit: Gerrit Komrij: Alle gedichten tot gisteren. Amsterdam [etc.]: De Arbeiderspers, 1999, p. 279.