In spiegel, watervlak en winkelruit
Zag ik mij zelf op zekere dag niet meer.
Ik was mijn antipode kwijt, met huid
En haar, ik was een schaduwloze heer.

Dat gaf nogal een schok, wat ik je zweer.
De eerste schrik is er een beetje af,
Maar toch voel ik de leegte keer op keer
Nog als een werkelijk onverdiende straf.

Als ik mijn afgod dringend nodig heb
Strijk ik met trage hand langs mijn gezicht.
Dat onderga ik als een godsgeschenk.

Soms schrik ik wakker, in mijn bed, en denk
Dan even dat mijn beeld stil naast mij ligt.
Een loden spin in een versplinterd web.

Uit: Gerrit Komrij: Luchtspiegelingen: gedichten, voornamelijk elegisch. Amsterdam: De Bezige Bij, 2001, p. 58.