Vooral als ik in diepe nood verkeer
Rollen verheven woorden uit mijn mond.
Juist als de grond verdwijnt waarop ik stond
Ken ik de regels van mijn zedenleer.

Terwijl ik levenslessen produceer
Voor vrienden die bezeerd zijn en gewond
Tast ik verdwaasd in eigen inborst rond.
Zij horen enkel mijn gekwinkeleer.

Het lijkt warempel wel of ik iets weet.
Maar al de wijsheid die ik naar het schijnt
Bezit berust op een vertekening.

Ik heb aan God veel minder tijd besteed
Dan aan klimaat en girorekening.
Het snuggerst blijf ik in mijn achtereind.

Uit: Gerrit Komrij: Luchtspiegelingen: gedichten, voornamelijk elegisch. Amsterdam: De Bezige Bij, 2001, p. 61.