Wegversperringen

Gerrit Komrij werd in 1976 nationaal bekend als criticus, dat wil zeggen: televisiecriticus. Dat jaar keek Komrij non-stop televisie om daags erna in NRC Handelsblad verslag van zijn ervaringen te doen. De columns werden gebundeld onder de veelzeggende titel: Horen, zien en zwijgen (1977). Het is een hilarisch en tragisch boek tegelijk: uit de vrolijk makende beschrijvingen rijst een beeld op van een medium dat weigert volwassen te worden. Komrij's televisiekritieken beperken zich bepaald niet tot de wereld van de omroep en de programma's: herinneringen aan Kreta, poëzie, literatuur, politiek, kunst, alles komt aan de orde. Komrij's werk gedraagt zich steeds als een autobiografie in vermomming. Ook zijn gedichten worden door sommige lezers - terecht of onterecht - zo opgevat, al is het bepaald geen bekentenisliteratuur.

"Ik acht de poëzie geen voertuig voor intimiteiten uit het zieleleven. Een gedicht schrijven is voor mij als het opwerpen van wegversperringen, het plaatsen van verkeersborden en het bouwen van hekken, om zélf buiten schot te blijven. Een dichter doet niet meer dan het oprichten van waarschuwingsborden: 'Gevaarlijk terrein!' Alleen zo handhaaft hij zijn vrijheid, alleen zo komt hij los van zijn woorden" (Alles onecht, p. 211). Het is niet de bedoeling dat poëzie vragen beantwoordt: gedichten roepen juist raadsels op bij de lezer, die overigens daarbij meteen te horen krijgt: "Je zoekt. Je zoekt vergeefs. Er is geen raadsel." (Het chemisch huwelijk. Amsterdam: De Arbeiderspers, 1983, p. 62). De barrières tussen dichter en lezer, de vrijheid van de dichter die aan zijn eigen woorden wil ontsnappen: het zijn paradoxen zonder oplossingen