Tot 1974 "De eerste regel is om te beginnen"
Komrij debuteerde in 1968 met de gedichtenbundel Maagdenburgse halve bollen en andere gedichten. Toen viel vooral de vorm van de gedichten op, die met hun regelmaat (drie strofen van vier vijfvoetige jamben) ver afweek van het door de vijftigers tot norm gemaakte en in 1968 allang ingeburgerde vrije vers. Ook het aan Staring ontleende motto leek de gedichten te plaatsen in een neo-romantische stroming. De vorm en het staccato ritme vertonen overigens veel meer verwantschap met het Duitse expressionisme (Von Hoddis, Lichtenstein), terwijl de invloed van de Vijftigers (Lucebert) duidelijk aanwijsbaar is in de langere gedichten. Het idioom is niet typisch twintigste-eeuws met woorden als melodrama, dertienmaster en pluisfluwelen pakje. Toch valt nu naast alle referenties aan de negentiende eeuw ook de moderne inhoud op: kroketten, marktterras, diepvries en zebrapaden; het moderne leven is niet aan de dichter voorbij gegaan en in de bundel heeft het stadsleven zich tussen de plattelands-idyllen gezeteld. Het is het thema van de onbevangenheid tegenover verval en dood, dat ook in zijn verdere werk een niet uit te vlakken rol speelt. (Zie voor de vroege gedichten van Komrij: De vroege Komrij: .)
Critici constateerden verwantschap met Ten Kate en De Schoolmeester. Kees Fens voegde aan dit rijtje later J.A. Dèr Mouw toe en weer anderen dachten aan dichters als Hans Faverey en Jan Kuyper, maar misschien alleen omdat die tegelijk met Komrij debuteerden. Er werden overeenkomsten aangewezen tussen Komrij en dichters uit de romantisch-decadente en surrealistische traditie. Uit de meeste kritieken bleek dat Komrij's poëzie moeilijk in een hokje was te plaatsen. Door het eigenzinnige karakter van de gedichten is het bijna onmogelijk er een etiket op te plakken: hij hanteerde literaire technieken uit verschillende stromingen, zoals surrealisme, romantiek, symbolisme, classicisme en modernisme.
Op de eersteling volgden drie soortgelijke bundels: Alle vlees is als gras, of: Het knekelhuis op de dodenakker (1969), Ik heb goddank twee goede longen (1971) en Tutti-frutti (1972). Behalve het negentiende-eeuwse air van deze bundels vallen ook andere zaken op: een groot aantal verwijzingen naar een jeugd in de provincie, het bovengemiddeld gebruik van zegswijzen, spreektaal en citaten, de vrolijke anekdotiek over homoseksualiteit en een reeks programmatische gedichten.
De gedichten over poëzie lijken helder en eenduidig, toch hebben ze voornamelijk voor verwarring gezorgd. Het gedicht met de bijna abstracte titel "Een gedicht" behoort tot de meest geciteerde gedichten van Komrij:
De eerste regel is om te beginnen.
De tweede is de elfde van beneden,
De derde is om wat terrein te winnen.
De vierde moet weer rijmen op de tweede.
De vijfde draait u plotseling een loer.
De zesde heeft het twaalftal gehalveerd.
De zevende schijnt zwaar geouwehoer,
De achtste bloedserieus. Of omgekeerd.
De negende vertelt nog eens hetzelfde.
De tiende is misschien een desillusie.
De elfde is niets anders dan de elfde.
De twaalfde is van niets de eindconclusie.
Dit was het laatste gedicht van Maagdenburgse halve bollen. De achtste regel - "bloedserieus. Of omgekeerd" - introduceert een andere siamese tweeling in Komrij's werk: ernst en spot. Veelbetekenend in dit verband is dat het allereerste gedicht in dezelfde bundel eindigt met "Tegen de laster! Tegen het feuilleton! Je bent heel serieus." Dat laatste mag dan ironie zijn geweest, het bleek later geen reden om niet in de ernst van Komrij te geloven.
Over het moment dat Komrij doordrongen raakte van zijn dichterschap, schreef hij een autobiografische inleiding bij een bloemlezing uit eigen werk:
"Het was op de Jachthuisweg. Daar werd ik, op mijn negentiende, dichter. In een handomdraai was het gebeurd. Anderen mogen het een goddelijke ingeving noemen, een moment van waarheid, een mystieke blikseminslag - mij kwam het op dat moment alleen voor of er een knop werd omgedraaid. Ik kreeg er niets bij, ik werd er niet rijker of vollediger door - het licht ging aan in een kamer, meer niet. De kamer zelf was er al. Pàng. Van het ene moment op het andere wist ik wat poëzie betekende." (Alles onecht: keuze uit de gedichten. Amsterdam: De Arbeiderspers, 1984, p. 13).
De titel van die bloemlezing, Alles onecht, leek enerzijds te bevestigen wat critici van zijn gedichten vaak beweerden, dat deze poëzie iets weg had van rederijkerspoëzie, maakwerk of light verse, maar Komrij's verhouding tot maakwerk is een andere dan die van de rederijkers. Uitspraken als Poëzie is maakwerk en Er is alleen maar buitenkant kunnen het niet zonder dubbele bodem stellen: ze zijn zowel waar als onwaar. Zijn terminologie richt zich hier op vermeende artisticiteit en verwaandheid en lijkt een oproep om je als dichter niet aan te stellen: hij zet zich af tegen de gewichtige manier waarop schrijvers hun persoonlijke leven aan de orde stellen in interviews of in bekentenisproza. In "De draken" (uit de bundel Fabeldieren) wordt zo'n typerende Schrijver beschreven met:
De kleine Draak van zijn Scheppend Vermogen,
De grote Draak die van zijn Ellebogen.
Komrij's afkeer van pretentie is overigens in balans met het respect dat hij voor (zijn) poëzie eist. Wie de literatuur kleineert, kan de wind van voren krijgen. Een ander punt is dat zijn ideeën over het maken van gedichten eerder in de buurt komen van die van Nijhoff - met zijn autonome poëzie - dan die van de rederijkers, al was het alleen al omdat Komrij in de poëzie amateurisme en gemakzucht verwerpt. De autonome poëzie - het gedicht schrijft zichzelf of vormt een afzonderlijke wereld - heeft Komrij in veel gedichten aan de orde gesteld, onder andere in een gedicht dat aanvankelijk "Schrijfrecept" heette en later werd omgedoopt in "Angst" - een niet mis te verstane wijziging:
Heel argeloos begin je een gedicht.
Een aantal letters, aangenaam van vorm.
Het gaat vanzelf. Er slibben regels dicht.
Ze zwijgen nog. Ze wachten op de storm.
Uit dode krullen, schreven, lijnen, halen
Ontstaan - geen mens die weet waaraan het ligt -
Schermutselingen tussen de vocalen.
De consonanten brommen mee, ontsticht.
Pas dan ontpopt zich iets als een bericht.
Een S.O.S uit een ver paradijs.
De voorhang scheurt. Je schrikt van het gezicht.
Doe dicht je ogen. Raak niet van de wijs.
Tart niet de woordeloze bliksemschicht.
Bepaal je tot je e's en o's en ij's.
Angst voor de Medusakop, maar welke afschrikkende betekenis heeft deze Medusa: is het de inspiratie? Is het inzicht? Is het waarheid? Is het de dood? De regel "Een S.O.S. uit een ver paradijs" illustreert nadrukkelijk de dubbelzinnigheid van de idylle. Er passeren een groot aantal paradijzen de revue in Komrij's gedichten, bijvoorbeeld in de regel: Je reisgids voor het paradijs vergeelde (in het gedicht "De bruidegom"), maar het paradijs komt er nooit goed van af. Het is de zuiverheid voorbij. Ook angst komt in vele vormen tot uitdrukking in Komrij's gedichten, onder andere in de slotregel van het bekende zelfportret:
Het Komrij-wezen
Er is een fabeldier dat 'Komrij' heet,
Een wonderlijke naam voor zoiets aardigs.
De kop ervan is weliswaar vrij breed,
Maar verder heeft het niet veel eigenaardigs.
Hij is een beetje sullig, een soort flop.
Zijn handen lijken erg op kolenschoppen.
Ook zit de kop gewoon er bovenop.
Hij zal zich nooit eens tot iets moois ontpoppen.
Hij is een hond, meer niet. Zijn hele leven
Zal hij een wezen zijn 'dat steeds begrijpt'.
Alleen diep in de nacht jankt hij soms even,
Daar een geheime pijn zijn strot toeknijpt.
Die geheime pijn hoort bij het achter het voorhang verborgen paradijs en bij de onderstroom die - in de eerste vier gedichtenbundels van Komrij - vaak alleen in het zicht komt in de allerlaatste regel. Die wordt meestal als een breuk ervaren met de rest van het gedicht. Wie het gedicht nader bekijkt, ziet natuurlijk dat er subtiele en minder subtiele waarschuwingen aan vooraf gingen, maar die worden pas betekenisvol nadat de laatste regel geklonken heeft. Ook na 1975 hanteert Komrij deze vorm - een chute in de slotregel - zoals in "Het Komrij-wezen" uit de bundel Fabeldieren (1975).
- Lees verder over: 1975-1985: "Hij kan heel prachtig het heelal doorklieven"
- Terug naar: Introductie (overzicht)