1975-1985 "Hij kan heel prachtig het heelal doorklieven"
De bundel Fabeldieren staat niet alleen - en zeker niet in de eerste plaats - in het teken van het bizarre en onmogelijke, wel wordt hierin de fantasiewereld als een reële en zelfstandige wereld voorgesteld, waarin incidenten plaatsmaken voor een doorlopend verhaal. Opvallend aan Fabeldieren is het grote aandeel van de sonnetvorm (17 sonnetten naast 10 typische Komrij-gedichten van drie maal vier regels). De bundel vormt een thematische eenheid, gegroepeerd in vier samenhangende reeksen over het menselijk lot. De eerste zes sonnetten spelen zich af in een desolaat landschap na de zondvloed, waarin een groep soldaten rondzwerft: Ik zie ze strompelen - en zie mezelve. is de conclusie. De volgende reeks staat ook in het teken van de ondergang ("Armageddon") en bevat zeven gedichten over veranderingen ten slechte met hemelwaarts stijgende blaas-ensembles en koud bloed dat uit "onze monden" loopt. De derde reeks gaat ook al over verval, zoals het zich in Venetië openbaart waar de keien gaan dansen, sirenen zingen en sirenes gillen totdat het vuur "loeiend uit de basiliek" schiet. Ook al vreemde verschijnselen doen zich voor in de laatste reeks met portretten van fabeldieren, maar daar zijn de dieren zelf vreemder dan de verschijnselen: De griffioen, De sfinx, De draken, Lamia's, De eenhoorn en De vogel Qu'al:
Hij is ook erg actief, de vogel Qu'al.
Hij kan heel prachtig het heelal doorklieven,
Is knap in 't stuiten van een waterval,
En in het rondbrengen van minnebrieven.
Zoals al blijkt uit de citaten over "onze monden" en "ik zie mezelve" is deze bundel met minder afstand en ironie geschreven, de toon is lyrischer, de gedichten minder staccato, minder brokkelig en veel minder polemisch. Na alle apocalyptische taferelen in deze bundel eindigt de auteur met een blanke pagina waarop alleen het woord "Vaarwel" prijkt. Het woord is niet zonder meer een laatste afscheidsgroet, het is ook een citaat. In de tijd van Fabeldieren werkte Komrij aan zijn vertaling van twee romans van Ronald Firbank, een daarvan eindigt met dit "Farewell", dat Komrij echter niet aan het slot van die vertaling, maar aan het slot van zijn eigen dichtbundel plaatste. Met Fabeldieren nam Komrij afscheid van zijn "eerste periode" (1968-1974). De "tweede periode" zou duren tot ongeveer 1985.
Naar aanleiding van gedichten uit deze periode, zoals Fabeldieren en Peper en zout werd zijn werk overigens nog steeds omschreven als nostalgisch van aard en soms als sentimenteel. Cerebraal zou wellicht een betere benaming zijn, want vooral in deze periode doet zich de invloed gelden die Komrij later ook zelf aangeeft, namelijk die van Hocke en Curtius. Thema's en motieven, vormen en verbanden, zijn voor een groot deel terug te vinden in de standaardwerken van Ernst-Robert Curtius (Europäische Literatur und lateinisches Mittelalter, 1948) en Gustav René Hocke (Die Welt als Labyrinth. Manier und Manie in der europäischen Kunst von 1520-1650 und in der Gegenwart, 1957). Als inleiding op het werk van Komrij lijken ze onontbeerlijk. Hieruit blijkt ook dat Komrij's zogeheten nostalgie of romantische trekken niets meer zijn dan een bewustzijn van de traditie. Komrij ziet de kunst niet als een doorgaande ontwikkeling, zoals de natuurwetenschap, maar als een permanente actualiteit: ieder gedicht is dat van een tijdgenoot, hoe gedateerd het ook schijnt. Dat wil niet zeggen, dat een moderne dichter zomaar negentiende-eeuwse gedichten kan schrijven, zoals van Komrij wel is beweerd: zijn kennis van de latere poëzie maakt dat onmogelijk. Zelf schreef hij daarover: "Je bent bezig met schrijven en tegelijkertijd heb je alles wat je weet en ervaren hebt, en bewust of onbewust hebt verwerkt op het gebied van poëzie, in je hoofd. Dat valt nooit weg te strepen, en daarom bestaan er ook geen ouderwetse dichters en daarom verzet ik me ten zeerste tegen dat predikaat. Maar ach: de beste manier om je ertegen te verzetten is om zelf zeer luid te roepen dat het wél zo is" (Alles onecht, p. 203-204).
Is het aantal aanwijsbare citaten in Fabeldieren zeer groot (het gedicht "De stad" bestaat bijna geheel uit zulke literaire verwijzingen), in de bundels er na bouwt Komrij aan een vervlechting van motieven en thema's die tot een nieuw type dubbelzinnigheid leidt. Is er in de eerste periode vooral de dubbelzinnigheid van de seksuele toespeling of de literaire spitsvondigheid, in de tweede periode groeit de dubbelzinnigheid van het symbool.
Het hoogtepunt van Komrij's symbolisme wordt gevormd door Capriccio (1978), een gedicht waarvan het schijnbaar eenvoudige verhaal - twee vrienden zwerven een dag lang door een weidelandschap en geven zich over aan de liefde - door de dubbelzinnigheden van de symboliek gecompliceerd wordt: de betekenis van de details is niet zonder meer duidelijk en het hoogtepunt van het gedicht hangt af van het perspectief en de invalshoek van de lezer. De symbolen worden ontleend aan de alchimie, de literatuurgeschiedenis en de iconografie. Het verhaal is door Komrij midden in de realiteit geplaatst en in tegenstelling tot het landschap van Fabeldieren is hier niet gekozen voor exotische en verre oorden als Venetië en de Andes. Het landschap van Capriccio ligt in het noorden van Amsterdam, zoals de eerste regel meteen prijsgeeft: "We liepen op de Transformator Weg." In Capriccio speelt ook Komrij's kunstopvatting een grote rol, zij het vermomd als een reeks gedachten over homoseksualiteit in de kunst, die er op zeker moment op neer kwam dat in zijn ogen alle vernieuwende kunst te danken was aan homoseksualiteit.
Het is niet zo dat Komrij in deze tijd uitsluitend symbolistische gedichten schrijft: hij is nooit te beroerd om - schijnbaar of werkelijk - aan de oppervlakte te blijven. De bundel De verschrikking (1977) bijvoorbeeld opent met een gaaf sonnet, zoals dat in Fabeldieren had kunnen verschijnen, maar wordt op zijn hielen gevolgd door een gedicht dat de spot drijft met de hoogdravende gestemdheid van dat sonnet. Zulke paarvorming - van tegendelen - komt veelvuldig in Komrij's werk voor: bibliofiele uitgaven als Twee huizen en Lichaam en geest bestaan uitsluitend uit zulke paren. Het motief van de antipode of "verkeerde wereld" is door Komrij grondig uitgewerkt in een bundel uit 1982: De os op de klokketoren.
De betekenis van het werk van Hocke en Curtius komt het meest pregnant tot uiting in deze bundel. In De os op de klokketoren wordt langzaam maar zeker naar een volledige verdwijning van de wereld toegewerkt, een wereld die eerst zowat in zijn eigen tegendeel verkeert. Aan het slot van de bundel komt de lezer dan ook uit bij het gedicht "Begin":
De tijd is op. Wat onder was werd boven
En het glazuur sprong van de eeuwigheid.
De bodem trilt. We leven in een oven.
Nog even en we zijn het vuur ook kwijt.
Platvissen zwemmen nog door stilstaand water.
Ze drinken alles leeg en vallen om.
De wereld droogt en krimpt. Een laatste krater
Haalt adem en lanceert haar als een bom.
Een heel eind verder zal, in een heelal
Waar vlinders dansen en waar bijen gonzen,
De aarde die van ons was als een bal
Geruisloos op een verend grasveld plonzen.
Het eigenlijke begin van de bundel sluit daarop aan: "De zee is droog. Het vasteland is nat." In deze bundel worden jongens beschreven als rottende lijken, is de liefde tussen man en vrouw niets meer dan "schurft op eczeem", ligt de gaafheid in het gebrokene, verdwijnt de "ik"-persoon uit beeld terwijl hij er juist prominent in optreedt. In deze bundel beschrijft Komrij voor het eerst de wens om te verdwijnen, onzichtbaar te zijn, een staat van geluk, waar hij in de gedichten uit de jaren negentig op terug zal komen door middel van het dubbelgangersmotief. Vooral het gedicht "Antipode" gaat hierop in:
Ik ben er niet. Geen bloedbaan ruist in mij.
Ik leef in schaduwen, ben nameloos.
en:
Kijk niet naar me. Behoed me voor die pijn.
De os op de klokketoren heeft met De verschrikking gemeen dat in de oorspronkelijke uitgave ieder gedicht is afgedrukt tegenover een illustratie van, respectievelijk, Joost Veerkamp en J.B. Meinen. In sommige gevallen is de illustratie bij het gedicht gemaakt, in andere gevallen is het gedicht bij de afbeelding geschreven. Komrij publiceerde vaker gedichten naar aanleiding van werk van beeldende kunstenaars, zoals de reeks "De monumenten" bij filmbeelden van etser en glaskunstenaar Leo Hofman (vader van Charles Hofman, Komrij's levenspartner).
In Komrij's eerste vier bundels is het perspectief dat van de buitenstaander, meestal gedepersonaliseerd door het gebruik van de tweede persoon enkelvoud (de je-persoon), bijvoorbeeld: "Je droomde dat je reisde in een trein" en "Je wandelt op twee benen van taai-taai". (Bij een aantal van die gedichten is de "ik"-vorm tussen voorpublicatie en uitgave in boekvorm gewijzigd in de "jij"-vorm: het is een bewuste ingreep). In de latere bundels komen er andere perspectieven bij: zowel de "ik" als de "wij" komen opdraven en worden prominent, zie bijvoorbeeld Capriccio en De os op de klokketoren. Na deze bundels volgen in 1982 nog Gesloten circuit en in 1987 Twee werelden. Het laatste gedicht is vooral opvallend door de introductie van het thema politiek, de hedendaagse politiek, die Komrij vanuit Amsterdam en vanuit Portugal beschrijft:
Daar kruipt Europa als een spook naar binnen.
Politiek speelde eerder alleen incidenteel een rol, zoals in het sonnet "Het onzichtbare labyrint". Gesloten circuit kan gezien worden als een optelsom van al Komrij's thema's. Verzen over de dichtkunst, de reeksen "Chaos" en "Arlequino's ei", openen de bundel
De dichter is niet slechts een simulant
Maar hij verbeeldt zich ook nog wonder wat.
Dan volgt de naar aanleiding van filmbeelden geschreven cyclus over een schaduwwereld ("De monumenten"):
Elk monument zakt ongestoord ineen
En op een zomaar wandelende dame
Stort zich de pest. Dáár ligt haar grote teen.
Het is een echte stad, en geen reclame.
De volgende reeks, over "Het Binnenhuis", gaat in op kamers die als hersens en dromen zijn, en op angsten en gedachten als dozen. Ook in deze gedichten rollen de gebeurtenissen over elkaar heen en spatten de vlammen uit de regels, maar in tegenstelling tot de vroegere bundels bereikt Komrij ondanks deze heftigheid en dit tumult een stijl die rust en harmonie uitstraalt. Die stijl, ingezet met Fabeldieren, bereikt in Gesloten circuit een voorlopig hoogtepunt.
- Lees verder over: Vanaf 1985: "Het snuggerst blijf ik in mijn achtereind"
- Terug naar: Introductie (overzicht)