Vanaf 1985: "Het snuggerst blijf ik in mijn achtereind"
Halverwege de jaren tachtig lijkt Komrij's poëtische productie tot stilstand te komen: het gemiddelde aantal gedichten per jaar is van twaalf teruggelopen tot zes. Na enige tijd komt de stroom echter weer op gang en aan het einde van de jaren negentig is het gemiddelde aantal gedichten per jaar verbazingwekkend hoog. In 1999 schrijft Komrij zelfs iedere week een gedicht dat op maandagochtend de voorpagina van het Algemeen dagblad opent. Die 52 gedichten vormen - met nog 2 extra gedichten (één als motto en één - het "Sonnet van de hoop"- als losse bijlage) - de bundel 52 sonnetten bij het verglijden van de eeuw (2000). Uit andere reeksen, zoals Faust, zoveelste deel (1997) en Rook zonder vuur (1998) blijkt ook dat Komrij op zijn productiefst is als hij een thema kiest dat geschikt is voor variaties, omkeringen en opsommingen. De thema's van deze drie reeksen: tijd, vergankelijkheid en dood, komen in Rook zonder vuur bij elkaar:
Ik werp geen schaduw meer. Ieder signaal
Uit kunst en bijgeloof werd overbodig.
Ik heb geen vingerwijzingen meer nodig.
en:
Er is iets eigenaardigs met de tijd.
Het lijkt of ze haar ritme heeft verloren
En voortschokt met steeds groter heftigheid.
Komrij's nieuwe gedichten werden gebundeld in zijn eerste grote bundel sinds Gesloten circuit, namelijk Luchtspiegelingen: gedichten, voornamelijk elegisch (2001). Een motief dat in deze gedichten ook herhaaldelijk aan de orde komt is dat van de dubbelganger, die aanvankelijk bedreigend is, omdat hij de leegheid van het bestaan weerspiegelt. De bedreiging wordt nog groter als de dubbelganger uiteindelijk verdwijnt:
In spiegel, watervlak en winkelruit
Zag ik mij zelf op zekere dag niet meer.
Ik was mijn antipode kwijt, met huid
En haar, ik was een schaduwloze heer.
De gedichten uit deze "derde periode" zijn directer, zonder de vroegere "wegversperringen" en ook minder ironisch, zij het niet zonder humor:
Het lijkt warempel wel of ik iets weet.
Maar al de wijsheid die ik naar het schijnt
Bezit berust op een vertekening.
Ik heb aan God veel minder tijd besteed
Dan aan klimaat en girorekening.
Het snuggerst blijf ik in mijn achtereind.
De gedichten na 1990 zijn veel persoonlijker en lijken gebeurtenissen uit het leven, zoals ziektes, nader te volgen. In zekere zin is het dubbelgangersmotief natuurlijk een variant op het thema van de antipode en de "verkeerde wereld". Het is echter niet goed meer vol te houden dat Komrij in zijn werk zo weinig mogelijk van zichzelf wil laten zien. Het dwangmatige daarvan is er wel van af. Ook de - vooral in de "eerste periode" - aanhoudende "stoelendans tussen persoonlijke voornaamwoorden" lijkt tot rust gekomen, wat echter niet betekent dat Komrij anders over begrippen als "persoonlijkheid" is gaan nadenken. Die "stoelendans" is er nog altijd. In de interview-bundel De buitenkant (1995) haalt Komrij een aantal uitspraken daarover naar voren. Ook geldt nog steeds het adagium: "Ik vind dat je de grote dingen in een mensenleven - dood, ziekte, eenzaamheid - hoonlachend af moet doen, of op ironische wijze beschrijven." (Bzzlletin, 8 (1979/80) 75 (april), p. 42). Hoe die hoonlach moet klinken en of de ironie meteen zichtbaar moet zijn: daarover zwijgt hij.
In Luchtspiegelingen zijn gedichten verzameld die - enerzijds - het spel-element benadrukken zoals in de variatie-gedichten, en - anderzijds - op het thema van de maskerade of de dubbelganger zijn geënt. Die eerste groep gedichten neemt soms de vorm aan van een liefdesgedicht:
Het zijn de ijzeraders met pyriet. Het is de steen waar mensen vuur uit slaan. Het is de vonk die in je ogen schiet En met die ogen kijk je me nu aan.
De tweede groep grossiert in het soort luchtigheid dat in zijn kielzog isolement en identiteitsverlies meesleept:
Sinds ik de wereld introk met mijn ik Werd onze sterke band verleden tijd. Mijn ik onttrok zich stiekem aan mijn blik, Ik was mijn ik soms zelfs volkomen kwijt..
In de loop der jaren verschenen enkele bloemlezingen en verzamelbundels van Komrij's werk. In zekere zin was de eerste verzamelbundel Tutti-frutti, dat een aangevulde herdruk van Maagdenburgse halve bollen en andere gedichten werd genoemd. Een echte verzamelbundel was Het schip De Wanhoop uit 1978. In 1984 verscheen de bloemlezing Alles onecht en in 1994 ter gelegenheid van Komrij's vijftigste verjaardag verscheen de verzamelbundel Alle gedichten tot gisteren. De eerste oplage van 5000 exemplaren was in een week uitverkocht en er verschenen inmiddels vier herdrukken. In 2001 en 2002 verschenen de bloemlezingen Hutten en paleizen en Capriccio: de mooiste liefdesgedichten.
- Lees verder over: "Kritiek"
- Terug naar: Introductie (overzicht)
