In het vroegste, experimentele dichtwerk van Kouwenaar overheerst de naoorlogse sfeer. De gedichten zijn vaak persoonlijk, sterk maatschappij-kritisch en min of meer anekdotisch. Vanaf de jaren zestig wordt zijn poëzie geleidelijk abstracter en hermetischer. De relatie tussen taal en werkelijkheid wordt bundel na bundel onderzocht in heldere verzen.

Taal is voor Kouwenaar niet in de eerste plaats een communicatiemiddel, maar 'materiaal' dat erom vraagt bewerkt te worden om de betekenis van woorden zo meerduidig mogelijk te maken. Kenmerkend voor die periode is Kouwenaars omschrijving van 'het gedicht als een ding'. 'Ik wil niet schrijven over iets, geen verhaal, geen gekondenseerd gevoel, niet een woord als vervoermiddel, maar een woord terugbrengen tot zijn stoffelijkheid'. In veel gedichten staan eet-metaforen centraal. Het eten, verorberen wordt verbeeld als een noodzakelijk, geobjectiveerd proces. Het dichten wordt als even on-persoonlijk beschouwd. Het gaat niet om het verwoorden van individuele ervaringen, maar om wat zich binnen de context van het gedicht in de taal zelf voltrekt. Voor complexe betekenissen en verbanden moet een transparante vorm worden gevonden.

In de jaren zeventig komt het accent meer te liggen op de vergankelijkheid, op het verdwijnen en behouden van momenten, situaties, plaatsen. Vaak vormen foto's van gestorven of teloor gegane mensen of gebouwen (het paleis voor Volksvlijt in Amsterdam) het uitgangspunt.

De laatste twee decennia legt Kouwenaar zich op een even geraffineerde als indringende manier toe op het 'stilleggen van de tijd' in een gedicht. Noties van herinnering, vergankelijkheid, dood worden vaak in hecht gecomponeerde cycli verbeeld.

'Het gaat in de kunst maar om een paar eenvoudige thema's: liefde, dood, onrecht, schoonheid.je wilt iets maken dat de tijd doorstaat. Niets is voorgoed aanwezig. Een goed kunstwerk is aan de tijd ontstolen, is die onbarmhartige tijd te slim afgeweest'.

© Letterkundig Museum