Introductie

De invloed van wiskunde in het werk van Gerrit Krol (1934) is onmiskenbaar en hij bewees in 2001 nogmaals dat alfa en bèta prima samen kunnen gaan toen hij aan de TU in Delft een aantal gastcolleges verzorgde over over techniek en cultuurfilosofie. Krol publiceerde onder andere in Elseviers weekblad, Barbarber, en Tirade en debuteerde als dichter in 1967 (Een morgen in maart). De dichter heeft inmiddels een groot aantal werken op zijn naam staan. Naast verhalen en gedichten schreef hij ook recensies in NRC Handelsblad, columns in De volkskrant en verzorgde hij vertalingen en bloemlezingen.

Zijn vroegere werk wordt gekenmerkt door beschrijvingen van herkenbare alledaagse zaken, zoals 'de hartverscheurende kracht van een naaldwoud' na een regenbui. In zijn latere gedichten wordt de stemming steeds meer bepaald door de dingen die 'niet' zijn wat ze lijken en is het snaveltje van een roodborstje plotseling sterker dan Groenland. Krol voert uiteenlopende personages op als de monnik Amarus, de kunstenaar Edu Waskowsky en 'de meiden' Emilia en Desdemona.

De korte gedichten met een strakke versvorm hebben in zijn latere bundels plaatsgemaakt voor experimentele proza-gedichten, waarin losse observaties en flarden van gesprekken de boventoon voeren. Deze ontwikkeling in vorm en stijl heeft de dichter, zoals hij zelf niet nalaat te zeggen, 'ijzersterke gedichten' opgeleverd.

Lees verder over het werk van Gerrit Krol: