1: 1967-1980: "Zo'n getal heet transcendent"
Gerrit Krol toonde in zijn jonge jaren veel interesse voor wiskunde en techniek. Zijn schrijverschap kwam pas later tot ontwikkeling. Begin jaren zestig publiceerde hij zijn eerste teksten in het tijdschrift over realisme: Barbarber. In 1967 verscheen zijn eerste dichtbundel Een morgen in maart bij uitgeverij Querido. Er heerste een sombere, 'unheimische' stemming in het gedicht 'November' over het leven en sterven in een stad:
Er dringen geen geluiden door;
het park staat in de regen.
Er komt vermoedelijk een vlek
waar het meisje heeft gelegen.
(p. 18)
Stemmingen en emoties blijken belangrijk, hoewel ze meestal niet onder woorden gebracht kunnen worden. Via een omweg probeert Krol het onbeschrijflijke voor de lezer duidelijk te maken:
Men zegt dat van bepaalde vlindersoorten
het reukvermogen
zich uitstrekt over kilometers,
maar of het nu de natuur is
of een oude school,
of een meisje dat in je armen staat
en geurt als zeven jaar geleden
of, als het heeft geregend,
de hartverscheurende kracht van een naaldwoud
- je noemt het,
maar beschrijven kun je het niet.
(p. 14)
Het dagelijks leven wordt zakelijk beschreven in een gedicht dat zo uit een dagboek lijkt te zijn overgeschreven:
Die zondagmiddag in de stad -
geslapen bij A. tot 12 uur,
gelopen met een luchtbed door het park
naar B. die nog niet wakker was,
maar toch afgegeven en thee gehad
en daarna weer door de stad,
op de Nieuwendijk staan kijken
om mij heen, een gewone, grijze,
keiharde zondagmiddag, niets gezien,
naar huis gegaan.
(p. 28)
In het gedicht 'Teken' wordt verslag gedaan van een op zichzelf niet heel bijzondere gebeurtenis, die voor hem toch van betekenis is:
Het stuk papier dat ik eens,
belijdende mijn leegte,
onbeschreven dichtvouwde,
en verzegelde, en verborg
tussen de bladen van een boek
om iemand over honderd jaar
te verneuken - dit papier
vond ik vanmorgen terug.
De dichter verbaast zich over wat hij ziet wanneer hij het vergeten boek opent:
over de lege
blauwe lijnen liep,
voor het eerst in zijn bestaan,
een dun haastig beestje,
dat had God gedaan.
(p. 39)
Krols liefde en aanleg voor wiskunde klinkt door in zijn poëzie. Ooit otkende hij in een interview dat bèta en alfa niet met elkaar te verbinden zouden zijn. In het gedicht De rechte lijn - een bibliofiele uitgave uit 1975 - combineert hij de vrijheid van de poëzie met de terminologie van de wiskunde:
Komt in de natuur een rechte lijn voor
denk je;
de horizon is er een
en de zgn. pijpestelen als het giet,
spiegelbeelden in een waterplas,
de lijn die ze van de wereld scheidt - alleen
met je oog half
in het water zie je dat precies
(p. 1)
In 1976 verscheen de verzamelbundel Polaroid (1976), waarin gedichten zijn opgenomen uit Krols debuut en de bundel De Groninger veenkoloniën (1974). Het eerste deel, het vroege werk, bevatte voornamelijk korte gedichten, maar naarmate de jaren verstrekken, werden de gedichten langer en prozaïscher. De thematiek bleef gekenmerkt door het aanschouwelijk beschrijven van de werkelijkheid. Het aloude thema 'liefde' verwoordde Krol in de typerende vraag:
Wat is het dat ik onder allen
haar zoek, een kind, een ster
die ik in de bloemen vind en in
mijn handen heb, is zij te ver?
(p. 19)
Sommige gedichten zijn zo opgesteld, dat de lezer de indruk kan krijgen dat het om een achteloze notitie gaat, bijvoorbeeld wanneer hij iets vertelt over een voorval. Het gedicht heet 'Herkenning (I)':
Een politieman te paard
deed mij van achteren denken
aan een meisje, niet de man,
maar het paard, ik wist niet
wat het meisje ermee te maken had,
niet meer over nagedacht -
maar later ontdekte ik
wat het was, haar paardestaart.
(p. 36)
Maar ondanks de herkenbaarheid van de observaties, blijft de dichter onvoorspelbaar. Hij zet de lezer op het verkeerde been in het vervolg op het voorgaande gedicht - 'Herkenning (II)':
Ik vond ze langs de kant:
Hartelijk Gefeliciteerd,
daar kende ik ze van,
de lieve vergeet-mij-nietjes,
precies zoals ze zijn: blauw
met geel erin, nee
ik had ze nog nooit gezien.
(p. 37)
In het deel De Groninger Veenkoloniën, wisselen beschrijvingen van het landschap en zakelijke informatie over de omgeving elkaar af in zinnen die in eerste instantie meer op proza dan op poëzie lijken. Het gedicht, dat 12 pagina's beslaat, eindigt als volgt:
Geen hortensia's, doch licht op de horizon. Het gebied der
eeuwige sneeuw. In de blauwe lucht een lint, gekruld en be
schreven met de woorden: Een Schitterende Toekomst.
Een kanaal wordt gegraven en daarna dichtgegooid. Op de
nieuwe aarde groeit gras, en boterbloemen. Hagel.
Het hagelt. Lucht blauw.
Vogels zwart.
Lucht grijs
(p. 91-92)
Een van de laatste gedichten ('Toen') in Polaroid is een ode aan de opmerkelijke zinsconstructie die kinderen vaak hanteren wanneer ze vol enthousiasme een belevenis vertellen:
Toen liepen we in de nacht
en toen zong ik een psalm
en toen zong ik hem niet meer,
toen voelde ik jou, als een dun berkje
en toen nam je mijn smalle gezicht in je handen
en toen vond ik dat fijn
(p. 114)
Maar op deze kinderlijke, quasi-naïeve toon worden onderwerpen besproken die alles behalve kinderlijk zijn:
en toen vocht Castro op Cuba,
dat was toen
en toen fietsten wij over de dijk bij Hobrede
en toen zochten wij een ligplaats,
geil als we waren
en toen vonden wij die niet.
(p. 115)
De bundel Wie in de leegte van de middag zweeft (1980) is in feite één lang gedicht (gevolgd door enkele pagina's aantekeningen over het schrijven ervan) en ook hier speelt de wiskunde een grote rol - het boekje bevat bovendien enkele wiskundige figuren:
kleiner dan 2, en terug, en nooit staat hij stil,
zo'n getal heet transcendent.
(p. 11)
Maar zulke wetenschappelijke frasen worden met gemak afgewisseld met bespiegelingen die minder of niets iets met wiskundige formules te maken hebben:
In de leegte van de middag
is dat iemand die diepte voelt,
een kraai op een tak die wegvliegt,
schuin boven zijn schaduw in het licht
van de grote zon in december.
(p. 7)
Maar ook dan gaat het over precisie:
Niet de vlag, maar het wapperen.
Niet de staat, maar het begin.
Niet het paard, maar zijn loop.
Niet de naald, maar het oog.
(p. 9)
- Lees verder over het werk van Gerrit Krol: 2: 1981-1998: "In de wolken maak je het mee"
- Terug naar Introductie