3: 1999-heden: "Geen man, want geen vrouw"

De bundel Vijf vingers van dezelfde hand (1999) verscheen bij uitgeverij Herik in Landgraaf en werd geïllustreerd met lino's van Krols dochter Ellen. In de vijf gedichten werd veelvuldig verwezen naar teksten van anderen en figuren uit de wereldliteratuur, zoals in het gedicht 'De meiden' dat Shakespeares Othello evoceerde:

Een deur die niet verbergt dat hij van karton is.

Emilia die aan de deur rukt en roept laat mij binnen Heer, ik
moet u spreken.

Niet Emilia, maar Othello, die roept het is te laat! (hij wurgt
haar).

Emilia (achter): Heer, om godswil, doe open Heer!

Desdemona: Onschuldig sterf ik...
(p. [25])

Het gedicht 'Edu Waskowsky' ging over de kunstenaar die een beeldengroep maakte ter nagedachtenis aan de Groningse joden die omkwamen in de Tweede Wereldoorlog. Foto's van deze kunstwerken werden geplaatst op de website van Moors Magazine . De zes beelden verbeelden handen. De groep beelden staat naast de Mesdagkliniek in Groningen. Waskowsky wilde zeven beelden maken, maar overleed voor hij het zevende beeld kon voltooien:

Geen lampen, maar kaarsen, zeven in aantal.

Niet de kaarsen, maar de kandelaar die ze omhoog houdt.

Niet ter ere van God, maar van het Joods Comité en de Raad van
de Kunst. Een zevenarmige kandelaar, 'zo een als er in Tel Aviv
staat.'

Geen joodse kandelaar, maar juist de afwezigheid van een kan-
de laar. Zoals ook de joden aan wie het kunstwerk gewijd is afwe-
zig zijn, dat zou passend wezen.

De vinger die op de schouder tikt.

Waarom zeven, waarom niet zes.
Omdat zes niet gelijk is aan zeven.
(p. [19])

De bundel Minnaar verscheen bij uitgeverij Cahier in Groningen in 2001 en bevatte 14 gedichten. In het gedicht 'Als' bedenkt een ik-figuur wat hij allemaal zou willen zijn, als hij vrij zou zijn om te kiezen. De gevolgen van de keuze zijn nu eens logisch, dan weer raadselachtig, of zelfs onjuist en hebben allemaal iets tegendraads.

Als ik een kleur was, zou ik wit zijn.
         Was ik een vrouw, dan was ik iets zachts.
Als ik God was - ik zou de mensen straffen.
         Was ik de duivel, dan natuurlijk niet.
Als ik een kip was, zou ik liever een haan zijn.
         Was ik een klok, dan stond ik vaak stil.
(p. 7)

Het gedicht 'Vrij Nederland' is een aanklacht tegen de schijnbare vrijheid in Nederland. Sommige mensen zijn niet vrij terwijl ze dat wel zouden moeten zijn:

Dat er achtenvijftig Chinezen
in een scheepscontainer kunnen,
wist je niet; dat weet je pas als
ze allemaal zijn omgekomen.

In hetzelfde gedicht stelt de dichter op een zeer nuchtere manier de relativiteit van het begrip vrijheid aan de kaak. In Nederland zijn volgens hem verschillende soorten vrijheid: enerzijds worden er te weinig misdaden opgelost, waardoor criminelen nog op vrije voeten zijn. Daar staat tegenover dat onschuldige mensen, zoals de Chinezen die een nieuw land zoeken, van hun vrijheid en hun leven worden beroofd. Door het aantal gevangenen en het aantal onopgeloste misdaden in een vergelijking onder te brengen, rekent Krol het volgende uit:

Er lopen dus in dit land dagelijks:
90 gedeeld door 10 maal 60.000, is
540.000, is
een half miljoen mensen buiten
die eigenlijk binnen horen.
(p. 22)

Voor de Stichting Oude Groningse Kerken schreef Krol in 1999 'De vergeten kaars', een lang gedicht naar aanleiding van de 'Cantate Amarus' van de Tsjechische componist Leoš Janácek (1854-1928).

Van een monnik, genaamd Amarus, die als taak had elke dag een
kaars te onsteken voor God, de vlam voor Hem brandende te
houden en niet te gebruiken voor andere doeleinden. Dat was zijn
taak. En hij deed dat goed.

Niet de kaars, maar het licht.
Elke dag een andere kaars, elke nacht hetzelfde licht.

Niet het licht, maar de tegenwoordigheid Gods.

Een jonge monnik in de kracht van zijn leven. Een gestalte van
meer dan gemiddelde lengte. Kinderen liepen aan de hand met
hem mee naar het dorp.
(p. 7)

In het gedicht zette Krol in korte, heldere zinnen het leven van de monnik uiteen. Zeer opvallend in dit gedicht is Krols gebruik van de ontkenning, die hij in veel gedichten gebruikt: even is iets van goudbrocaat, dan is het niet meer van goudbrocaat; even weet de monnik iets wel, dan weer niet. Hij illustreert daarmee de vluchtigheid van onze ervaringen, de veranderlijkheid van onze waarnemingen. Amarus vulde zijn dagen met studie en het beschrijven van heiligenlevens:

Het leven van een heilige - begint met zijn dood.
Dat leven is gemaakt van goudbrocaat.
Niet van goudbrocaat, maar slechts van karton is het eenvoudige
leven van de monnik Amarus. Zo'n leven is niet veel waard - als
men eenmaal is gestorven.
Daarom, hij ontsteekt elke avond trouw een kaars en hoopt dat hij
dat nog lang mag blijven doen. Zolang, in elk geval, zal hij blijven
leven.
(p. 9-10)

Het einde van het gedicht is weemoedig en beschrijft de laatste levensavond van de monnik:

Amarus, hij weet de maat, en de maat van het nieuwe. Maar hij
weet het verschil niet.
Hij weet het wel. Hij weet de weg. Hij gaat terug naar zijn cel.
De kaars brandt. Hij vergeet hem niet.
Hij vergeet hem wel. De kaars gaat uit. Zijn vlam is gedoofd, die is
niet doorgegeven.
(p. 15)

Voor Geen man, want geen vrouw (2001) schreef Gerrit Krol zelf de aanbeveling op het achteromslag. Daarin beschreef hij de ontwikkeling die hij als dichter doormaakte en de moeilijkheden die hij ervoer. Maar , zei hij, inmiddels vond hij een eigen stijl die hem in alle vrijheid liet schrijven wat hij wilde. Hij zei dat zijn gedichten nu 'onbeperkt houdbaar' zijn: 'krachtige, ijzersterke verzen', een soort balladen: 'Eerder episch dan lyrisch, zijn ze uitstekend bestand tegen de vaak zo persoonlijke gevoelens van deze tijd. Absoluut onmodieus!'. Ook critici oordeelden gunstig over de bundel: hij werd genomineerd voor de VSB-Poëzieprijs 2002.

De bundel bevatte een aantal gedichten die al eerder werden gepubliceerd in
Vijf vingers vandezelfde hand (1999) en een aanzienlijk bewerkte versie van 'Wie in de leegte van de middag zweeft'. De titel, Geen man, want geen vrouw, was typerend voor het werk. Voortdurend probeerde de dichter de werkelijkheid te definiëren aan de hand van bevreemdende ontkenningen:

Geen wind, want geen lucht.

Geen lucht, want licht en zo kun je doorgaan tot je - het heelal is eindig
- alles hebt genoemd.

Niet alles, want daar komt fluitend om de hoek een spoortrein aan. De
machinist houdt zijn horloge als bewijs omhoog: hij is te vroeg.
(p. 54)

Slechts een enkel gedicht nam minder dan een halve pagina in beslag, zoals 'Geen wak':

Het weiland, het voorjaar, de eerste koeien.
Geen koeien, maar pinken.
Geen voorjaar, geen riet

De sloot, een blauwe lucht.
Niet het water, maar het wak.
Geen wak, maar ijs dat dunner dan glas.

Een eend draagt
(p. 43)

Ook in 'Roodborstje' zette Krol de lezer op het verkeerde been. De eerste regel herinnerde aan een bekend kinderliedje, maar vervolgens werd de perceptie van de natuur op losse schroeven gezet:

Een roodborstje dat tegen het raam tikt.
Niet tegen het raam, maar tegen het ei waarin het zit en het ei breekt in
tweeën.
Niet het ei, maar het ijs dat scheurt van Groenland naar beneden.

Een zwarte zee, waarin witte vlakten drijven.
Geen vlakten, maar bergen.
Geen ijs, maar graniet.
Nodig voor het roodborstje om zijn snaveltje te scherpen.

Zijn snaveltje sterker dan het ei.

Sterker dan Groenland.
(p. 43)