2: 1977-1980: "Onder een dol gesternte doolde ik"

Na het verschijnen van de eerste twee bundels, verdween Kuipers voor een paar jaar uit beeld. In de loop van de tijd was bij hem het idee gegroeid om te gaan reizen en in 1967 vertrok hij naar Parijs (wat volgens de dichter overigens niets te maken had met een romantische aantrekkingskracht van de stad). Hij zwierf een paar jaar rond door Europa en Noord-Afrika en kwam uiteindelijk kwam weer in Amsterdam terecht. Daar ontmoette hij Lieke, met wie hij een paar jaar later trouwde. Hij begon weer met schrijven en in 1977 verscheen er een nieuwe gedichtenbundel: Gottegot & bubble up. Het motto ontleende Kuipers aan een tekst van de zanger Bob Dylan:

I'm a poet
and I know it,
hope I don't blow it.



De bundel is opgebouwd uit gedichten die genummerd zijn van 'vers 1' tot 'vers 37', de bladzijden zijn niet genummerd. De dichter maakt, in tegenstelling tot de eerste twee bundels, hier wel gebruik van interpunctie en hoofdletters. Die keuze is een bewuste, want het en-teken (&), dat ook in de titel voorkomt, heeft volgens de dichter meer betekenis dan het woordje 'en': het geeft een hechtere koppeling aan tussen twee elementen:

Tijd,
Iedereen zegt dat je erg veranderd bent.

Tijd,
Elke dag sterven er mensen in de kranten &
kakelt je stem in de aether & verschijnt
je beeld bevend op het net & $ & £ &

strompel je de geschiedenis in & stroomt
er coca cola door je aders & word je
gesignaleerd als een ufo boven Wallstreet &
Hollywood & mijn Underwood.
(vers 6)

Kuipers heeft veel bewondering voor Kouwenaar en Campert en zijn stijl is dan ook verwant aan die van de Vijftigers. Hij gaat associatief te werk en houdt zich niet aan de grammaticale regels van de taal om op die manier het onverklaarbare van het dagelijks leven in zijn poëzie vast te leggen. Ook hanteert hij een moderne spelling en schrijft hij over een 'fantastiese' jungle en een mooi 'kafee'. Veel gedichten hebben iets weg van toevallige gedachtesprongen, die, zoals de dichter opmerkt:



        al eerder door anderen
op een ongeveer eendere manier
gemaakt zijn.
(vers 35)

Kuipers' gedichten tonen een grote verscheidenheid aan onderwerpen, maar er is samenhang doordat het taalgebruik niet verschilt. Toch is er geen sprake van letterlijke herhaling, de lezer heeft eerder te maken met herkenning van Kuipers stijl. Zie bijvoorbeeld de aanhef van sommige gedichten, met woorden als 'Soms', 'En dan' of 'Men zegt'. Zijn stijl wordt mede gekenmerkt door inversie:

Vreemd,
blijft het wel
(O naamloos wezen,
dat in een kwartiertje leest,
waar ik een jaar mee bezig ben geweest.)
(vers 29)

En:

Altijd
is er het gevaar voor file-vorming,
de kans dat de stoppen doorslaan &

men zich de hersens pijnigt
(vers 30)

De dichter put voor zijn onderwerpen voornamelijk uit het gewone leven, maar soms zijn fantasie en werkelijkheid niet zo gemakkelijk van elkaar te onderscheiden:

Zij bestaan:
Vogels die onder water vliegen.
Dromen waaruit men nooit meer ontwaakt.
Roodvonk en vuurwerk.
Zij bestaan. Maar (O faraoos)

geheel met goud beschilderd,
blijft men hooguit een half uur in leven.
(vers 20)

Hij is zich bewust van de vergankelijkheid van het bestaan, maar neemt clichés daarover op de hak en schrijft bijvoorbeeld:

Mijn lichaam is mijn luchtkasteel.

Ook voelt hij zich soms

als r. crusoë,
de baardaap, van wie men vergat te vermelden
hoe hij masturbeerde onder de bananenbomen.

En hetzelfde gedicht besluit met:

Alles verandert & Alles vergaat.
De waarheid is een koe die achter schrikdraad staat.
(vers 27)

In de vierde bundel van Kuipers, Van A tot en met Z (1979) corresponderen de gedichten met de 26 letters van het alfabet, maar tussen titel (letter) en tekst is geen logisch verband. De flaptekst zegt daarover: 'Het alfabet symboliseert op deze manier alles wat we kunnen waarnemen en ervaren en in taal weergeven'. Hij continueert daarmee de stijl van Gottegot & bubble up (1977) - waarin de gedichten genummerd waren van 1 tot en met 37. Kuipers geeft ook hier onverwachte wendingen aan gewone observaties:



                                                oktober

Op de vensterbank,
achter het beregende raam;
de kat - urenlang -
kijkt het blad uit de boom.
(p. 28)

Kuipers schrijft niet zozeer over grote existentiële vraagstukken, maar over herkenbare en persoonlijke belevenissen, soms op het onaangename af:

O de platgewalste duif
als een uitsmijter op het asfalt
                             &
de vreemdeling die op u toe zal komen
en om een vuurtje vraagt
                             &
de hond met haast
uitpuilende ogen
in een benarde hurkzit
schijtend op het trottoir
(p. 5)

Zo realistisch als de bundel begint met het hierboven beschreven straatbeeld, zo onwerkelijk besluit de dichter zijn werk. Als het alfabet inderdaad het leven weerspiegelt, dan geven het eerste en laatste gedicht de onverklaarbare dubbelzinnigheid van het bestaan weer:

Ik ben een stem van een roepende in een riool.
Tussen een behang van schimmel en zwam
blaast mijn balg in het galmgat.

En:

Maar ook loop ik dagelijks door uw journaal
met een ei in elke okselholte

en kwaak
(p. 31)

Meer nog dan in zijn vorige bundels, gooit Kuipers in Een toerist in Atlantis (1980) alle remmen los. De bundel, uitgegeven in Gent door Yang, is een vervolg op de genummerde verzen 1 tot en met 37 van Gottegot & bubble up: deze gedichten zijn genummerd: vers 38 tot en met vers 70. Het eerste gedicht zet de toon:



Verf
mijn haar met henna in de herfst,
met schijven zon beleg mijn brood
en zet mijn tiepmachine
in dichterlaaie
(p. 7)

In een interview dat verscheen in het Vlaamse tijdschrift Yang verklaarde Kuipers dat hij van rauwe emoties en pathos hield: ideëen moesten zo puur mogelijk op papier komen. Associaties volgen elkaar dan ook in hoog tempo op:

Niet te overzien - Te veel faktoren -
Paardebloempluis in de zuidwester -
Appelpit in een konijnenkeutel - Stom
wonder - Toeval - Te ver (want in eeuwige
mist) voerend.

En:

Blind paard dat mij schopte
uit een chaos van eeuwen;
van vader op vader nader
deed komen, in duizenden
kikkervisachtige spoetniks,
jouw rode heelal inreizend,

mamma.
(p. 22)

De dichterlijke vrijheid die Kuipers essentieel vindt, uit zich in wat hij noemt 'artistic lying', een term van de Portugese dichter Fernando Pessoa (1888-1935). De dichter houdt zich bezig met de balans tussen waarheid en leugen en noemt zichzelf opstandig zonder te weten waartegen precies hij protesteert. Maar zulke onzekerheden over het bestaan behandelt hij met een knipoog:

Volgens plan komt de zon op, groeien
mijn nagels. Geen blad dat
omlaag valt of. Geen haar op mijn hoofd
die ik onder bedwang heb.

Weinig is zeker, veel is misschien
(p. 32)

Het verbazingwekkende van het leven blijft een geliefd onderwerp voor de dichter:

Nooit verder gekomen dan, soms,
dit bezeten weten: Een toerist
te zijn in Atlantis. Elke cel een wereld-
wonder van onmenselijk vernuft. U kent dat wel.
(p. 32)

De ironie ontbreekt nooit, getuige ook 'Vers 52':

Op een handdoek,
tussen duizenden badgasten,
het werd moeilijk
de zee te horen klotsen, Kloos.
(p. 21)

Het gedicht verwijst naar het sonnet 'Van de Zee', waarin Kloos lyrisch schreef over de eeuwige onbewustheid van de zee. Kuipers zelf is vaak onder de indruk van de schoonheid van de natuur en wil dat op papier tot uitdrukking laten komen:

Als ik wil
schijnt de zon op papier
of regent het zachtjes puntjes
puntjes puntjes.
(p. 35)