3: Vanaf 1997: "Wees een duizendstromenlander"
Kuipers publiceerde in etappes: na de twee bundels in 1965 duurde het tot eind jaren zeventig voor er een nieuwe bundel uitkwam en vervolgens bleef het weer zeventien jaar stil. Daarna brak hij nationaal door. De publicatie van Wolkenjagen(1997) ging niet onopgemerkt voorbij. De bundel, die ditmaal was uitgegeven bij Atlas, kreeg aandacht van de critici en dat was met Kuipers' voorgaande werk nauwelijks het geval geweest. In 2004 zou Gerrit Komrij negen gedichten van Kuipers opnemen in de herziene editie van zijn spraakmakende bloemlezing Gerrit Komrij's Nederlandse poëzie van de 19de tot en met de 21ste eeuw in 2000 en enige gedichten (2004). In voorgaande edities was niet één gedicht van Kuipers opgenomen, nu selecteerde Komrij er één uit zijn debuutbundel, twee uit zijn tweede publicatie-periode en zes uit de periode vanaf 1994, waarvan vier uit deze bundel Wolkenjagen
Hoewel de bundel verscheen na een periode van langdurige ziekte, getuigen de gedichten van een onstuimige levensvreugde. Het motto is ontleend aan de Argentijnse auteur J.L. Borges: 'Er is, onder alles wat ik bezit of bezitten zal, geen enkel ding dat niet een wolk is'. Opnieuw geeft Kuipers zijn visie op de wonderlijkheid van het leven en wenst hij zijn lezer dezelfde gave tot verwondering toe:
Meer nog dan verwondering
zou verbijstering je natuurlijke staat moeten zijn,
reiziger
in de gloednieuwe, oeroude,
sterrenstoffelijke kleurdromenzooi
op het thuispluisje van je planeet.
(p. 7)
Of het nu gaat over luchtkastelen van wolken, pierewaaiende kraaien, of een boswandeling over kronkelpaden, de dichter beschrijft de natuur met genoegen. Hij noemt zichzelf:
meer nog dan toeschouwer, supporter
van de Klare Stille Dingen
(p. 64)
Alles wat de dichter waarneemt, zowel de simpele observatie van een koe in de wei als van een schilderij van Ruisdael, baant zich een weg naar zijn schrijfpapier:
Door de iris-hoepel gesprongen,
naar de schedelschatplaats,
daar is het regenboogeinde, daar is
de goudpot.
(p. 31)
Zelfs als er geen woorden zijn om uitdrukking te geven aan wat hij ziet, blijken er in het vocabulaire van Kuipers begrippen te zitten die dit dilemma oplossen. Neologismen als 'bladpap', 'pijnbloeisels', 'klaarwaterdag' en 'wrongelbrokken' zijn talrijk:
EN NU VAN DE SCHADUWSLAGER,
hagenpreker, hutselaar,
patroon van de bierschuimende branding,
tapu-kromanti,
long distance call,
ruis in de ammonshoorn,
die komt over de koeienwei
met de nieuwste snufjes van april,
door halmen nagewezen, daar
gaat hij: heer en dansmeester,
de weduwenmaker, wolkendrijver,
buitelende hofloze nar.
Waar zijn de harten, de eden van trouw,
de glanzende ogen, de ziel?
In het hoofd zoldert rommel,
in het riet ritselt de wind.
(p. 68)
Ook in het in 2001 verschenen De tafel van wind speelt de natuur weer een belangrijke rol. Wolken symboliseren bij Kuipers zowel de schoonheid als de onvatbaarheid van het bestaan. Landschap en luchten leiden in zijn gedichten tot beeldende impressies:
verlaten heuvels, schemerhei,
machtige mammoetwolken boven de groene vallei
(p. 26)
En ook in deze bundel gebruikt Kuipers weer opvallend lange woorden, rijen samenstellingen achtereen:
IJspegelbaarden aan de takken van de oude vlier.
Pruikentijd in het wilgenbosje.
Doelloze dobbereenden in de bijt,
windgeslagen, wolkenbevaren.
Winterzwijgen. Kloosterrust.
Meeuwengekrijs boven rietvelden en plassen.
(p. 28)
Vaak kiest Kuipers bewust woorden die door hun klank de beelden kracht bij zetten. In deze bundel maakt hij vaker dan voorheen gebruik van alliteratie en assonantie:
MIJN ZOON, er zijn in de wereld gogen en logen te over,
larielijders allerlei, killers en kaalslagers.
Er zijn zovele moegemaakten, klemgeraakten;
uitgereisde roer-me-niets, murw, nurks, en stuk op hun stek.
(p. 58)
In het bovenstaande gedicht maakt een vader zijn zoon duidelijk dat er genoeg 'patsers en paljassen' zijn en dat er 'een nijpend tekort aan spijbelaars, geuzen en muiters' is. De grote, haastige wereld is onbegrijpelijk en daarom drukt hij zijn kind op het hart bewust bezig te zijn met de mooie (korte) momenten. Bijvoorbeeld: het leven dat ouders hun kinderen schenken.
WIE HET VATTEN KAN, vatte het
altijd geweten dat niemand dat kan:
Deze hele
cadeau gekregen
mikmak. Deze zak
van benen en bloed. Van pappa en mamma.
Allemaal voor jou, grote vent.
(p. 44)
Later laat de dichter vanuit het perspectief van een volwassene zien dat het leven niet zo simpel was en is:
ALS KIND door een sfinx gebeten.
Als man door de mangel gehaald.
Enigszins afzijdig van de rest
zich voelend op z'n best
Wat te worden nooit geweten;
weifel en wankel als basis en bron.
(p. 23)
Maar meestal blijven de gedichten dromerig en optimistisch van karakter, zoals in dit sprookjesachtige gedicht:
en een, bij haar venster gezeten,
zal zich verwonderen hoe een vogel fluitend
in de schemering, spreken en spelen kan als niemand nog
met heel de hymnehoogheid van haar vrouwenkoninginnenziel.
(p. 39)
Net als de vorige bundel besluit De tafel van wind met 'Aantekeningen', waarin verwijzingen naar Mexicaanse dichters, Chinese wijsheden, Latijnse termen en andere soms obscure bronnen worden toegelicht.
In Antjes lied en andere gedichten (2003) gaat Kuipers verder op de ingeslagen weg. De dichter gaat op reis om meer te ontdekken, soms naar andere plaatsen, soms terug in de tijd. In de eerste afdeling, 'Vught revisited', is zijn jeugd tussen de regels door aanleiding voor dromerige observaties:
Dodenakker, geboortegrond -
aan mijn wiegje oorlog stond.
Een uurtje lopen van mijn bed
bevond zich Huize Beulenpret.
(p. 20)
De versjes die zijn vader en moeder hem voorprevelden - 'loontje boontje paardekaas' - hebben hem gemaakt tot wie hij is en verklaren zijn soms bevreemdende woordkeus en bezwerende ritmes:
En in de wereld geworden ben ik vandaar
woordenaar woordenaar woordenaar.
(p. 19)
In de tweede afdeling van de bundel ('Narrenpad') komt de ik-figuur op onbekende plekken en verbaast zich over wat hij om zich heen ziet:
Ah de vreemdeling zijn,
de taal niet spreken,
de weg niet weten.
in het tumult der straten
de kofferdrager zijn.
(p. 32)
Dan staat de dichter stil bij de vluchtigheid van het bestaan:
Krulharen & hondsjaren.
Alles is hinde en henen
en wat is gebleven, wat blijft?
Neon -
Avondpleinen.
Klaterfonteinen.
Mensenmassa's.
Kassa's.
Kakofonia.
(p. 33)
In de derde en laatste afdeling, 'Antjes lied', bekijkt de dichter de wereld door de ogen van 'Tante Antje'. Ze zit achter haar raam en kijkt hoe mensen haastig voorbijgaan:
En wat denk ik bij mijn venstertje?
Ik denk: spel de vooruitgang eens achterstevoren!
Spoel de beelden eens terug in de schedels!
Rol al het asfalt op!
Neem het trottoir haar tegels af!
Zet op het rulle zand de wagens weer!
En span de paarden in!
(p. 47)
Het advies van Antje (en daarmee van de dichter?) is om zoveel mogelijk te genieten - als een kind - van de fantasie en van de wonderbaarlijkheid van de omgeving. Herinneringen aan vroeger, de eigen kindertijd, versterken het beeld van dat spelend-genietende kind:
Mocht zo graag
de druppel zien blinken
in de bedelnap van de bloem.
In de stilte in de
stralenbundels in het bos
de vliegebeestjes zien vonken
(p. 59)
Want alleen door bewust te leven, kun je iets proberen te begrijpen van het onvoorstelbare van het leven, concludeert de dichter:
Ik zag wat ik zag:
aan alle graven stamelmans,
verdwaald in eigen huis de kamerheer.
Zag wat ik zag:
Ikvergeven, bloedgeschreven
en onleesbaar deze wereld.
(p. 61)
- Terug naar Introductie