1: "Fladderen voor de vloed"

Joke van Leeuwen had al naam gemaakt als kinderboekenschrijfster met een tiental kinderboeken toen ze in 1994 debuteerde met de dichtbundel Laatste lezers. Haar woordgebruik in de dichtbundel verschilt nauwelijks van haar kinderboeken en de gedichten zijn opgebouwd uit korte zinnen van meestal eenvoudige woorden. Deze eerste bundel bestaat uit vijf secties: 'Een voorstelling', 'Tweetaligheid', 'Onder de honderd', 'Bezoekers' en 'Laatste lezers'.

Meteen in het openingsgedicht wordt de lezer bij de voorstelling betrokken. Het publiek zoekt een plek.


Hier moest het zijn. Hier legden ze
hun zeiltjes tegen grondvocht, legden
omstanders zich plek, mengden hun kleuren zich
in evenwicht

(p. 8)

In de afdeling 'Tweetaligheid' (ook in de volgende dichtbundel een thema) zijn de gedichten voorzien van zowel een Franse als een Nederlandse titel; de tekst is steeds in het Nederlands. In 'Réservé/Voorbehouden' wordt gegrossierd in aarzelingen:

Het gaat niet ja het gaat wel maar
het kan niet ja het kan wel maar
het mag niet ja het mag wel maar
men heeft hier niet het recht men is
degene die hier staat en die dit zegt.

(p. 17)

Het gedicht 'Service compris' speelt zich af in een café met een televisietoestel, dat vanuit een hoek beeld en geluid over de bezoekers uitstrooit:



Weer liep een stoet van lijken
door de nacht, wereldwijd uitgezonden
en herhaald en herhaald en
herhaald, waarna een man in schone
kleren wat hij dacht.
(p. 18)

Dit soort regels met ingeslikte woorden (waardoor open blijft of de man alleen maar dacht dat hij schone kleren droeg of dat de kijkers vervolgens te horen kregen wat hij dacht) komt veel voor in Van Leeuwens poëzie en is symptomatisch voor het suggestieve, open karakter van haar gedichten. Opmerkelijk is het gedicht 'Pas op, aardige hond'. Dit heeft alleen een Nederlandse titel:

Maar als er iemand aan de deur, ja dan
verplaatst zich lucht, de tegels over
over mos, tussen de spijlen van het hek
door, iemand laat de lucht dan los.

En hij valt aan. Het is de lucht. De deur.
Iemand. Die het heeft gedaan.

(p. 20)

Over kinderen en hoe kinderen leren schrijven gaat het in 'Langskomen':

Blote staakjes op de stoppels
van een armstoel zit soms eentje
die nog niet kan lezen eventjes
te blijven. Zeilt een brief
voorbij. Zinnen zakken door
de lijnen. Dit is schrijven.

(p. 25)

Er zijn nogal wat angsten in deze gedichten. Zelfs een gewone klok kan onrust veroorzaken:

Komt onrust uit de klok wie
zal haar dulden
en hoe ze misbaar maakt dat
kamers vult
en sleetse plekken schuurt in
de tapijten
en hoe ze braken zal
verzuurde schil

(p. 35)

Het raadselachtige leven wordt met kinderlijke verwondering omschreven in volwassen termen:

Hoe zijn vissen onder ijs in
handgeschepte vijvers?

(p. 41)

In het titelgedicht 'Laatste lezers' lijken verbaasde klinkers centraal te staan:

Als de nacht in o's en a's plakt
zand aan regels krabt
laatste lezer de handdoek oppakt


En in dat laatste gedicht vindt het schrijven als het ware voor de ogen van de lezer plaats. Daarna wordt de lezer uitgewuifd door de dichter en fladderen de bladzijden in de wind.

blijft er een fladderen voor de vloed
wat wind met bladzijden doet.

(p. 45).