2: "Zonder goddelijke jas"

De tweede dichtbundel van Joke van Leeuwen, Vier manieren om op iemand te wachten, verscheen in 2001. De gedichten zijn verdeeld over vier afdelingen, waarvan de afzonderlijke titelpagina's zijn geïllustreerd met tekeningen van de auteur: 'Bewaarde adem', 'Vier voor een verheemde', 'Kind in Brussel' en 'Een liedtekst en een versje toe'. Ze schreef over zaken als tegelzee, paaltjes en een tas vol groeten in het eerste deel. Het gedicht 'Aankomsthal' opent de bundel:

Op deze tegelzee dit hoopje ongeregeld
dat niet meebeweegt. Dat staat te staren
naar het oude, licht onpasselijke groen,
waartoe ooit in vergadering besloten werd
voor deuren daar die niemand hier
kan opendoen.

Die deuren zullen zich wel zelf.
(p. 9)

Het titelgedicht 'Vier manieren om iemand te wachten' werd uitgekozen als een van de beste gedichten van 2001 en ter gelegenheid van Gedichtendag 2002 apart op een ansichtkaart uitgegeven. In dat gedicht draaide het om kiezen: de keuzes die de lezer kreeg aangedragen, zijn 1 zittend, 2 lopend en vervolgens mogelijkheid 3 en 4:

3
Staand. Bij een ingang, uitgang waar je zei
dat, maar er zijn er drie, je weet niet meer
of die of deze. Van blijven staan komt
niemand tegen, maar met bewegen
wordt haast bereikt wat net verdween. Zeker nog niet gezegd wie blijft en wie
beweegt en wie dan wie wanneer
en van hoe ver weer ziet.

4
Niet.

(p. 9)

Want wat is de regel bij wachten? Dat de wachtende altijd een excuus verzint voor degene die te laat komt:

Die wachtte was goed in doodverzinnen.
Weghelften weg, begroeide grond verschoven,
meren gezwollen, als bij wie ver, met
tijdelijke namen, in de slaap verrast.

(p. 22)

Een aankomsthal, een perron, een 'plaza', een metro, een kabelbaan, ergens. Zowel het reizen, wachten, aankomen en vertrekken komen in het eerste deel voor. Onder andere in het gedicht 'De bus' dat op de eerste gedichtendag in januari 2000 op de streekbussen van Arriva stond. De bus neemt opeens een andere richting, naar X. In eerste instantie vinden de reizigers dat opwindend, maar dan beseffen ze de consequenties:

Buiten bij haltes gezwaai en
geblaat: het nieuw was eraf, het
eten verpieterde, te laat was
te laat, verliezen verliezen,
niet mee niet mee.

(p. 16)

Ontheemding is een belangrijk thema in deze bundel, ook die van voorwerpen die verloren zijn:

Je wist zeker dat het ergens lag.
Je had het ergens neergelegd, je dacht nog
toen je het ergens neerlegde: hier
leg ik het neer, dat moet ik onthouden,
dat ik het ergens neerleg en dat hier noem.

(p. 17)

Het ouder worden - tot aan de verschrikkingen toe - is een ander thema:

Soms gaat ze even dood. Ze legt zich plat,
ligt tijdelijk zacht zappend te verleppen.
Moet iemand iets? Moet iemand koffiezetten?
Moet iemand kunstjes doen voor haar gezicht?
Moet iemand met beleid een beetje meppen
(zoals toen het geschiedde in die dagen
dat voor het eerst gezien hoe een granaat
en toen vergeten hoe een adem gaat
en toen en toen weer ademend geslagen)?
Of nee.

(p. 29)

De sectie 'Kind in Brussel' werd in 1999 ook apart als bibliofiele uitgave uitgebracht door uitgeverij Herik in Landgraaf. Hierin zijn de gedichten geïllustreerd met reproducties van het handschrift van de dichter en met illustraties naar acrylschilderingen van de auteur. De tien gedichten gaan over een meisje dat met haar ouders verhuist van Nederland naar het tweetalige Brussel in België. Om die tweetaligheid extra kracht bij te zetten gebruikt Joke van Leeuwen in deze sectie ook neologismen, zoals 'thuizer'.

Kromme verhuizers stommelden,
mijn ouders gaven orders
waar alles kwam. Verlegen bleef het
staan. Dit huis hield afstand,
rook nog naar wie in het Frans
thuizer dan wij hadden gedaan.

(p. 32)

Regelmatig komt in dit deel het taalprobleem aan de orde. Vooral het verschil tussen de Vlaamse en Nederlandse en tussen de Franse en Nederlandse woorden. Voorbeelden van zulke Vlaamse woorden zijn: ieverans, seffens en goesting.

Er kwamen woorden op bezoek.
Ze bleven zitten in mijn rotan stoelen.
Ze zaten te bedoelen met rood hoofd.
Gij, waar ik zo anders had geloofd
was zonder goddelijke jas
en stukken kleiner. Verfijnd
vroeg ieverans zich af hoe ergens
ergens anders was. Seffens
hield zich niet strak aan straks,
bleef sloom op beide billen hangen.

(p. 34)

Bovendien is een grote stad als Brussel nogal overweldigend en vooral vreemd voor het meisje. Er zijn bijvoorbeeld bedelaars met ontbrekende lichaamsdelen.

Ik was veel kleiner dan de stad
en schrok nog van de bedelaars
waar altijd iets niet meer aan zat.
De winkels waren hemelhoog met
witte bergen onderbroeken,

(p. 38)