4: "Zolang niets op herfst rijmt zomert het na"

Hoe is 't
Op Gedichtendag 2008 werd Joke van Leeuwen aangesteld als stadsdichter van Antwerpen. Haar taak was om in een periode van twee jaar gedichten te schrijven over wat er speelde in ''t Stad'. Eerder waren Tom Lanoye, Ramsey Nasr en Bart Moeyaert er stadsdichter. In januari 2010 sloot Van Leeuwen dit stadsdichterschap af met de bundel Hoe is 't: gedichten in 't Stad. In de periode dat Van Leeuwen stadsdichter was, zorgde ontwerper Bob Takes ervoor dat haar gedichten op allerlei manieren en op allerlei plaatsen in Antwerpen te zien of te ervaren waren. Foto’s van de gedichten op die plaatsen en uitleg van de dichter maken dat Hoe is ’t geen standaard dichtbundel is.

De bundel begint met een voorwoord waarin Joke van Leeuwen haar ervaringen als stadsdichter en het proces van de totstandkoming van een gedicht toelicht. Ze schreef onder andere gedichten voor kinderen, voor nieuwe gebouwen, voor hangjongeren en mensen zonder papieren. Sommige gedichten zijn grappig, andere gedichten geëngageerd of aangrijpend, zoals het gedicht dat ze schreef naar aanleiding van Werelddag tegen Kindermishandeling getiteld 'Ben ik':

ben ik niet goed wel goed ben ik
ben ik niet niet van mij ben ik van
ongevraagde krassers in mijn kas
draag ik geen veilig vel mag ik
geen dak van licht dat dit dat dit
weg weg en alles alles dan

zie wat ik zeg dat ik niet zeggen kan
(p. 28)

Het gedicht kwam tot stand na gesprekken met vrouwen die mishandeld waren tijdens hun jeugd. Van Leeuwen: 'Het bleek moeilijk om erover te praten. Daarom, dacht ik, ga ik geen stevig bouwsel van een gedicht maken, maar iets wat hakkelt, wat de zelftwijfel en de nood om te worden gehoord uitdrukt. Dat is "ben ik" geworden.'

Voor de vijfenzeventigste verjaardag van het Letterenhuis in Antwerpen ontwierpen Van Leeuwen en Takes een installatie: 'Op drie schermen waren beroemde en wat minder beroemde regels te lezen, van gestorven Vlaamse en Nederlandse dichters. Daaruit lichtten achter elkaar woorden op, die samen een nieuw gedicht over poëzie vormden.' Dit nieuwe gedicht probeert uit te leggen wat poëzie is:

zo is poëzie misschien:
als goed brood dat nooit genoeg is
als een niet onverschillig lichaam op een vrijdagmorgen
als grijze gedachten die dwingender fluiten dan de wind
als de geur van aan tafel 's avonds ooit een moeder
als de blues op de stoel van de liefde
als adem die soms janverdomme zingt

poëzie is: ik ik ik ik mij ik mij ik
poëzie is: ik schrijf en ben
is een woonhuis
is
(p. 22)

Van Leeuwen sluit de bundel af met het laatste gedicht dat ze schreef als stadsdichter. Het is een eindejaarsgroet voor de 'Mensen van Antwerpen':

Die de dagen dragen,
die sjotten tegen de leegte,
die bloemekes in bakken doen
(zaagd ni dad et ni goe is).

Die zoenen in plantsoenen,
die met verweesde waren
op kopers blijven hopen,  
die door de winters gaan.

Het gedicht eindigt met de regels:

De stad te zijn, de stad die zich
in hen heeft uitgespreid.
(p. 62)

Een aanleiding voor Van Leeuwen om haar bundel af te sluiten met de woorden: 'Mijn twee jaar stadsdichterschap eindigde op Gedichtendag 2010. En hoewel de stad zich al in me had uitgespreid, zit die er nu tot in alle vezels.'

Grijp de dag aan
Grijp de dag aan (2010) is Van Leeuwens vierde dichtbundel voor volwassenen. Net als in haar andere bundels staan er illustraties bij sommige gedichten. Volgens de tekst op de achterzijde van het omslag combineert Van Leeuwen 'vrijheid in de taal met een onnadrukkelijk engagement'. Dit komt vooral naar voren in de eerste afdeling van de bundel. In 'Een men' roept Van Leeuwen de lezer op om toch vooral uniek te zijn en zich te hoeden voor 'de gemiddelde smaak':

Een men zegt geloof maar, wat iedereen
mooi vindt vindt iedereen mooi
en almaar weer andere kleren te kopen
met bloemen, met strepen, met voorgevormd
slijten, de lijven te kijken, de aders doorbloed.
(p. 17)

De 'men' is hier een soort personificatie van de massa, een product van de consumptiemaatschappij. 'Men' is 'een merk', 'onrustrijk', heeft steeds nieuwe impulsen nodig, maar gaat voor meer van hetzelfde:

                                           Een men houdt wie ooit
toch de mooiste geacht voor gezien en smacht
naar weer nieuw van hetzelfde.
(p. 8) 

Van Leeuwen kijkt, al spelend met de taal, kritisch naar onze maatschappij. De woorden in de laatste strofe van de bundel lijken te rennen tot ze abrupt stil staan:

Een men zegt gewen niet, verdien,
registreer het vermenigtevuldigen,
het verveelvullen, het voller te
worden, het valer, de val.
(p.17)

Deze aanklacht tegen de consumptiemaatschappij komt ook terug in de tweede afdeling 'Zoveel witte tanden'. In het gedicht 'Patent' gaat het over dingen

die we nodig zullen hebben
waarna we vergeten hoe het was
toen dat nog niet zo was.

Er wordt opgeroepen tot creativiteit, maar getwijfeld aan de originaliteit:

Kom laten we nog eens iets uitvinden
iets wat er niet is maar
waar we meteen in herkennen
dat we het nodig hebben.

Of bestaat dat al?
(p. 24)

In deze afdeling legt Van Leeuwen ook een communicatieprobleem bloot. Bijvoorbeeld in het gedicht 'Tribune':

             Onder het patchwork van hun paraplu’s
weten de toehoorders zeker wat ze haast hoorden.
(p. 21)

Mensen praten niet met elkaar, maar langs elkaar heen, over elkaar, door elkaar:

Er is nog van alles te zeggen:
de een dat de ander, de ander hoe
kom je erbij, de een nee gelogen,
dat er een kring komt van hoorders die
roepen jazeker de een, ja de ander!
(p. 22)

Het gedicht 'De jaren' uit de laatste afdeling 'Slorpvermogen' draagt Van Leeuwen op aan Remco Campert. Ze adviseert hem:

Niet tellen. De boekhouding vergeten,
de ergens berekende levensverwachting
vanwege dit eten, dat roken, de rek in de
huid, hoe buis van Eustachius, richel
en rimpel en middenvoetsbeentje
het stellen. Zolang niets op herfst rijmt
zomert het na.
(p. 38)