Meer dan 65 jaar schrijver
Lehmann debuteerde in 1940 in De vrije bladen onder de titel: Subjectieve rapportage. De vrije bladen stond onder leiding van Menno ter Braak, Jos W. de Gruyter en G. Stuiveling en werd uitgegeven door H.P. Leopolds Uitgevers-Maatschappij NV in Den Haag. De vrije bladen schonken volgens eigen zeggen 'in de eerste plaats aandacht aan nieuwe verschijningen en verschijnselen in de wereld van de kunst en letteren'.
In het eerste gedicht 'Signature-tune' beschrijft Lehmann uitgebreid hoe zijn fiets niet gediend is van de driften die de schrijver tentoonspreidt. Het lijkt of Lehmann de lezer een aanwijzing geeft hoe hij de gedichten moet benaderen.
Dat zint hem niet, hij zint op wraak en
hij wappert met Mijn haar en regenjas,
de laatste liefst tussen zijn spaken.
Hij wenst, als blijkt uit zijn langdurig heng'len
zich even vurig met zijn buurfiets te verstreng'len
als ik met haar erop, als 't mooglijk was.
(p. 3)
In het tijdschrift voor poëzie Helikon uitgegeven door Stols in Den Haag publiceerde Lehmann Dag- en nachtlawaai (1940). Fietsen en liefde spelen weer een rol in het gedicht 'Lovers Lane' .
Waarom lig je zo huiverend stil,
is er niets meer na deze nacht?
Onze fietsen steken uit 't gras
als het sein van een komende dag.
Als je kus is gedoofd in die hoest,
beminnen wij toch niet meer;
als de fietsen hier zijn verroest,
ziet niemand ons ooit weer.
(p. 13-14)
Na een redactiewisseling (alleen Stuiveling bleef) ging De vrije bladen over in handen van uitgever Van Oorschot in Amsterdam. Ook bij deze uitgever gaf Lehmann een bundel uit, getiteld: Gedichten (1948). De redactie had een ruime taakopvatting, zij vond dat ook maatschappelijke vraagstukken in de cahiers behandeld moesten worden bijvoorbeeld in de vorm van essays. 'De nieuwe 'Vrije Bladen' willen voor het zich vormende nieuwe Nederland en voor de na-oorlogse wereld een orgaan zijn, dat uitdrukking geeft aan het beste dat in die wereld naar boven komt en dat ondanks dreigingen en ondergangsstemmingen, naar het vrije en bevestigende ener rijke veelzijdigheid streeft.'
In het gedicht 'Elegie' is plaats voor hevig liefdesverdriet en jaloezie:
Ligt er nog bloed in het verdorde gras?
Dan zou ik het nu nog uit willen rukken;
van een gebroken liefde een der stukken
die niemand krijgt, dat voor mij alleen was.
(p. 40)
Schrijlings op den horizon (1941) verscheen ook in Helikon. En in 1947 verscheen een verzamelbundel waarin zowel Subjectieve rapportage, Dag- en nachtlawaai en Schrijlings op den horizon waren opgenomen, naast nog enkele ongebundelde gedichten.
Het echolood verscheen in 1955 bij Van Oorschot. De mythologie en het water staan in de bundel centraal. Daarbij is ook de vorm van de gedichten vrijer. Minder eindrijm, minder strakke strofenbouw, uitwaaierende regels over de pagina. De vorm van de gedichten varieert enorm. Er is zelfs een gedicht van slechts één regel. De gedichten worden meer bespiegelend van aard, zoals in Ars poetica met voorbeelden, deel VI:
Geen golf blijft dezelfde golf,
daar steeds ander water hem vormt,
terwijl hij toch loopt als een merel
tussen de dorre bladeren; de kop
laag en de vleugels een glooiend dak,
dwars op en weg van onze vaart
die hem het eerst naast zich wierp.
Wie denkt telt het kleine geld
van de herinnering en weet,
dat het zo nog wordt geslagen.
(p. 31)
Griekenland en de filosofie waren inspiratiebronnen voor de bundel Steen voor Hermes, die in 1962 uitkwam.
In de bundel Who's who in whatland (1963) zijn de onderwerpen niet meer natuur en liefde, maar jeugdherinneringen, dood, oorlog, moord en verlies van dromen. De titel verwijst naar de 'Who is who'-boekjes die uitkwamen met gegevens over bekende personen, biografische woordenboeken op elk denkbaar terrein.
In het gedicht 'Opbouwend betoog' adviseert de dichter om eens in een lichaam te snijden.
Wat dan? Niets,
het bloed verdoezelt alles.
Anders zou een moordenaar zich een horlogemaker
voelen.
En omdat mensen meer van mechaniek dan van
mensen houden,
zouden ze minder explosiva maken,
opdat al dit vernuftigs niet zo vaak onopgemerkt
vernield zou worden in een lawaaiig hoekje.
(p. 7)
En in het gedicht 'In 't algemeen':
Veel witte plekken op de kaart
van het verlangen
(p. 65)
De bundel Luxe (1966) bevat een aantal gedichten met bedrieglijk eenvoudig (ironisch!) eindrijm zoals in het gedicht 'Small talk':
Als verzen nog geen verzen zijn,
maar woorden in mijn hoofd,
dan lijken ze heel even fijn,
net iets dat wat belooft.
(p. 12)
Maar er staan ook experimentele gedichten in. Bijvoorbeeld een 'Gesprek tussen twee muizen' dat voornamelijk uit herhaald gebruik van het woord 'piep' bestaat. Al dan niet met een vraagteken of uitroepteken, waardoor het gesprekskarakter versterkt wordt.
Het gedicht 'Voor uitwendig gebruik' ontleent zijn kracht aan de herhaling.
Handschoenen zijn dingen
die je laat liggen
die je laat liggen
die je laat liggen.
Overal
Hoeden zijn de dingen
die je niet opzet
die je niet opzet
die je niet opzet.
Nu niet, nooit.
(p. 24)
En na handschoenen en hoeden komen zo ook broeken, overhemden, paardehaar en dassen aan de orde.
Na deze bundel uit 1966 doet Lehmann er als dichter het zwijgen toe. Ook vervaardigt hij een verbod op het bloemlezen van zijn werk. In 1985 wordt deze stilte even doorbroken als een bibliofiele uitgave met één gedicht verschijnt, maar voor het algemene publiek keert Lehmann pas in 1996 opnieuw voor het voetlicht met de bundel Vluchtige steden (en zo). Hierin beschrijft hij onder meer de stad Rotterdam en wat hij daar inmiddels allemaal mist, in 'Rotterdam 2 x verdwenen'. Opvallend is dat hier regelmatig de sonnetvorm weer opduikt.
Wit colosseum Loos, de houten brug,
de sleperspaarden op het Haagscheveer
en schipper Maatje, komen niet terug.
Cholera, stank, tanden, bruin, geen of gouden,
Welk zinnig mens wil heel 't verleden weer?
Maar jeugddécor had ik wel graag gehouden.
(p. 14)
Als bibliofiele uitgave verschijnt in 1998 bij Ser Prop de bundel Zakcentje! Schater! De uitgever citeerde in het prospectus de tekst die Lehmann toestuurde:
'Ik zou allang graag iets volslagen excentrieks willen laten verschijnen. Ik heb al jaren een rijtje texten klaarliggen, onder een titel die ik zelf niet begrijp. Ik stuur ze u hierbij.' (Brief van L.Th.Lehmann d.d. 23-8-1996)
Een opmerkelijk gedicht hieruit gaat over een agent en een verdwaald kind. Het kind herkent de agent. Hij mishandelde haar moeder en haar vader:
Het kind schopte de agent tegen de schenen.
De agent, overwegende dat dit een gezagscrisis
betekende, wist hoe te handelen. Hij trok zijn
dienstrevolver en schoot het kind dood.
(p. [17])
In 2000, het jaar dat Lehmann 80 jaar werd, verscheen het verzameld werk Gedichten 1939-1998. Tom van Deel heeft dit werk bij elkaar gebracht in samenwerking met de dichter en de partner van Lehmann, Alida Beekhuis.
Toeschouw verscheen in 2003 en lijkt enigszins een vervolg op Vluchtige steden (enzo) want ook hierin staan veel schetsen van plekken waar langs gereisd is. Maar hier is ook meer ruimte voor humor en ironie, net als in de eerste gedichten uit de vroege periode. Zijn werk werd destijds vooral gewaardeerd door het nuchtere karakter en de humoristische ondertoon. De titels van de gedichten wijzen al vooruit naar de fantasierijke inhoud: 'Fanfumbel en het Hoemabeest' of 'Dragonella, Draculina'. In het gedicht 'Nieuwe en vermeerderde biologie', komt een fantasiebeest tot leven, de pauweend.
B - Zou hij ook achteruit kunnen zeilen?
A- Ligt dat wel in zijn aard?
Raakt hij dan niet in de war met zijn poten?
B. Met die poten moet hij, als hij zwemt,
bij het wenden toch ook achteruit kunnen roeien.
B. Daar zit iets in...
B. Zou de pauwzwaan niet nog mooier zijn?
A. Een zwaan is een mislukte eend,
met die rare lange hals...
(p. 24)