Interview met L.Th. Lehmann


Signature tune

Van mij kan men zeggen
dat ik mij verlies
in kleinigheden,
maar ook
dat ik mij er in vind.

In diverse interviews las ik dat u het idee heeft dat uw schrijverschap uw carrière als jurist en archeoloog in de weg heeft gestaan. Heeft u dat idee nog steeds? Hoe zou uw leven er idealiter hebben uitgezien, zonder de romantiek van een ambtenarenbaan met een vrijstaand huis? Heeft uw scheepsarcheologiewerk geleden onder het dichten/schrijven?

Net voor de oorlog debuteerde ik. Ik zag dat als een grap. In mijn studententijd vond men het leuk als ik versjes in de Virtus Concordia Vides, het Leidse corpsblad schreef. Maar vooral in de tijd dat ik als jurist solliciteerde heb ik het schrijverschap als een belemmering gevoeld. Tijdens mijn studie en na mijn afstuderen als prehistorisch-archaeoloog realiseerde ik mij dat er meer en andere belemmeringen waren om een baan te krijgen. Maar toen ik mij specialiseerde in de scheepsarchaeologie heb ik een eigen carrière gekregen, buiten het officiële circuit om, in het buitenland en daar kent men mijn reputatie als schrijver niet. Dat is rustig. Een beeld van hoe mijn leven er idealiter zou hebben uitgezien heb ik niet. Ik heb mij eenvoudig nooit rekenschap gegeven van wat kon. Ik zag, al vanaf mijn eindexamen HBS, nooit een totaalbeeld als toekomst, alleen details.

Ergens las ik dat u letterkunde studeerde. Klopt dat, want ik vond deze informatie slechts bij één bron? Ik ben benieuwd hoe u terugkijkt op uw schrijfcarrière. Bent u tevreden met wat u bereikt heeft? Wat zou u nog graag willen doen op poëziegebied?

Nee ik studeerde geen letterkunde, behalve wat Perzisch, illegaal tijdens de oorlog. Ik zeg met Multatuli: Wanneer je iemand uit de sloot wilt halen ga je er niet zelf in liggen.
Gedichten vormen zich nog steeds ineens, ik doe daar geen extra moeite voor. Als het leuk klinkt schrijf ik het op. Wel vind ik het leuk de woorden dan in druk te zien. Zo bevredigt het mij dat nu net in april weer een prozaboekje met reisverhalen, essays en gedachten is verschenen bij Brumes Blondes De tewaterlating van een theorie. Dat is de titel van het laatste essay.

Wat vindt u het leukste aan het dichten en/of voordragen?

Dichten vind ik niet leuk of niet-leuk. Het gebeurt. Wel kan ik achteraf zeggen: wat klinkt dat aardig. Voordragen vind ik vooral leuk om de sociale contacten. Toen ik jong was gebeurde dat nauwelijks en dan is dichten/schrijven een eenzaam iets, tenminste voor mij. Daarom heb ik nooit officieel schrijver willen worden, afgezien van de geringe verdiensten.

Waarom was er dertig jaar stilte rond u? Wat heeft u in die tijd gedaan, was er nog ruimte om te dichten en wat deed u besluiten om te herbeginnen?

Zie vraag 1 en 3. Begrijp me goed; het dichten ging door, alleen ik publiceerde niet. Ik beëindigde in die tijd mijn studie prehistorische archeologie en specialiseerde mij in scheepsarcheologie. In 1995, toen ik promoveerde in de scheepsarcheologie had ik mijzelf genoeg bewezen, om het publiceren weer aan te kunnen..

Uw stijl in de laatste twee bundels lijkt een combinatie tussen uw beginbundels en de latere bundels. Er is afwisseling tussen sonnetten en vrije verzen en ook in thema’s en toon van de gedichten is deze afwisseling te vinden. Alleen de romantiek is vrijwel verdwenen. Hoe bevallen u de laatste bundels, zijn het uw ‘beste’?

Ik kijk nu wel met afschuw terug op sommige vroege gedichten. Veel te veel Slauerhoff, veel te bombastisch, veel te romantisch. Misschien ben ik wat minder handig geworden. Mijn latere gedichten bevallen mij toch beter. Er zit een breuk van dertig jaar in het publiceren, niet in het dichten. Mijn jongste gedichten, van na 2003 hebben thema's die dichter bij huis liggen.

Hoe ziet een goed gedicht er uit? Bestaat het ideale, ultieme gedicht dat maar eenmaal geschreven kan worden voor u? En zo ja, is dat schrijven te verwezenlijken in uw leven of heeft u dat wellicht al geschreven in de laatste bundel?

Het moet logisch zijn en goed klinken. Nee, zoiets als een ideaal gedicht bestaat voor mij niet. Ik heb ook niet altijd hetzelfde gedicht het beste gevonden.

Zijn er dichters die u had willen ontmoeten en waar het nooit van kwam? Zo ja, wie?

Omdat ik al 66 jaar publiceer heb ik eigenlijk alle Nederlandse dichters en schrijvers wel eens ontmoet. Van Menno ter Braak tot Tsjead Bruinja. Ook enige Engelse en Schotse dichters ken ik. Ik kan niemand bedenken waar het nooit van kwam hem/haar te ontmoeten.

Zijn er jonge dichters die u bewondert en zo ja, waarom?

Anneke Brassinga, Prachtige gedichten. Maar ik lees niet zoveel gedichten meer. Van de jongeren ben ik niet erg op de hoogte.Ik spreek wel met Diana Ozon en Ilse Starkenburg. Anne van Amstel heeft me eens gevraagd haar bundel te introduceren in Perdu. Ook heb ik een paar jaar geleden de 'Groningers', zoals Bart Droog meegemaakt.

Wilt u nog steeds niet in bloemlezingen opgenomen worden of is er inmiddels sprake van voortschrijdend inzicht?

Ik heb tegenwoordig geen bezwaar meer, al heb ik nog steeds dezelfde opvatting. Het gebod: "Gij zult niet bloemlezen" is uit de tijd dat je voor een bijdrage, laten we zeggen f 1,12 kreeg (en als het een 'schooluitgave' was helemaal niets) en het betekende dat je hele bundel nooit meer werd verkocht. Lucebert was het toen met me eens dat het een verarming was van de litteratuur, maar mijn stelling is nooit overgenomen. Nu heb ik het geld niet meer nodig en kan het me niet zo veel meer schelen.

(juli 2005)