Bewonderend en bewonderd

De affiniteit van Leopold met de Beweging van Tachtig (Kloos en anderen) bleek uit het inzenden van gedichten aan het Tachtigers-bolwerk De nieuwe gids. Over hen is in dit verband alleen bekend dat Leopold Herman Gorter als een groot dichter beschouwde en sommige vroege regels van Leopold verwijzen naar gedichten van Gorter (Sötemann, 1983a, p. 24). J. Sj. Brouwer herinnerde zich de ontroering van Leopold na het verschijnen van Gorters Pan (1916). In het voorwoord van Pan verklaarde Gorter dat hij enkele regels had overgenomen van 'de Nederlandsche prosatoren Frans Erens, Jan Hofker, Jacobus van Looy en Lodewijk van Deyssel, en van den dichter Leopold'. Dat Leopold door Gorter geciteerd werd was hem een eer: 'Daarvoor kan ik Gorter nooit danken; wat heeft hij mij gelukkig gemaakt'. Gorter nam acht regels uit het eerste gedicht van zijn debuut 'Zes Christus-verzen' over. Toen Brouwer hem vroeg: 'Is Gorter zóó'n groote geest, dat hij u een eer aandoet als hij eens iets van u overneemt?' zei Leopold dat Brouwer niet wist 'hoe 'n knappe man of dat is'. De vraag of Gorter een groot dichter was, werd afgedaan met de constatering: 'Jij kunt domme vragen doen'. Toen Brouwer vervolgens nog durfde te vragen wat Leopold over Gorter dacht, zei Leopold: 'Dat zal je van mij nooit te weten komen' (Jalink, 1963, p. 85). Enno Endt beschreef thematische overeenkomsten in het werk van Gorter en Leopold, zoals het kwijnende, het ontwakende of het gestorven meisje. Ook maakten beide dichters vaak gebruik van verkleinwoorden, maar waar Gorter eerder plastische beschrijvingen gaf, waren die bij Leopold meer figuurlijk (Endt, 1985)

Zowel Leopold als Gorter stonden deels onder de invloed van de Duitse dichter Heinrich Heine (1797-1856). Endt noemde zelfs de Duits-romantische toon van Leopolds vroege gedichten zo uitgesproken, dat men wel van 'Leopolds Buch der Lieder' mocht spreken (Endt, 1985, p. 16). Maar de smaak van Leopold was breder geörienteerd, zij het dat duidelijk de nadruk lag op de buitenlandse literatuur. In elk geval meer dan op de contemporaine Nederlandse literatuur, waarover hij zich slechts zeer sporadisch uitliet. Kennelijk las hij nauwelijks Nederlandse auteurs: de jongere noch de oudere literatuur. Dante, Shakespeare, de (ook Amerikaanse) romantiek waren onderwerpen waarmee hij zich bezig hield, evenals met een breed spectrum van de geschiedenis. Hij las Balzac, Flaubert, De Maupassant, Christine de Pisan, Charles d'Orléans en Villon, die hij hoog aansloeg. Victor Hugo en Goethe vond hij pompeus of betweterig.

De eerste waardering voor Leopold als dichter werd op schrift gesteld - behalve in korte recensies en in de inleiding die Boutens meegaf aan zijn uitgave van Verzen - in reacties van andere dichters, zoals Hein Boeken, die 'Tot J.H. Leopold (dank voor zijnen "Cheops")' publiceerde in De nieuwe gids (1915). De invloed van Leopold op de Nederlandse dichtkunst is dan ook groot geweest. Tijdgenoten vonden hem zowel ouderwets (symbolistisch) als modern (illusieloos). In 1921 volgde een bekend stuk van A. Roland Holst 'Over den dichter Leopold' in De gids. J.C. Bloem noemde hem 'een van de weinige zeer groote Nederlandse dichters', en 'de grootste dichter sinds 'Poot, Dullaert en Luyken', bij wiens werk men het gevoel kreeg 'tegelijk in den hemel en op aarde' te zijn (Bloem, 1995, p. 395, 70 en 69). Na de dood van Leopold zei Roland Holst dat Leopold 'altijd de hoge stille Meester zal blijven' (Roland Holst, 1983, p. 143). Nijhoff ging nog een stapje verder en plaatste Leopold tussen de grote dichters van zijn tijd, door te eisen dat hij werd voorgedragen voor de Nobelprijs voor Literatuur: 'er is volstrekt geen reden om aan te nemen, dat Leopold het voor een deskundige en onpartijdige jury af zou leggen tegen een dichter als de Fransman Paul Valéry die men reeds voor een volgende bekroning genoemd heeft, en die daar ook zeker, nà Leopold, aanspraak op kan maken' (Nijhoff, 1982, p. 312).

Voor een internationaal publiek bleef Leopold echter een onbekende, al werden incidenteel gedichten vertaald in het Duits, Engels, Frans, Hongaars, Italiaans, Roemeens, Spaans en Zweeds (zie Sötemann, 1983a, p.251-256). Ook het Nederlandse publiek werd pas na zijn dood geconfronteerd met de dichter. Het werk was immers min of meer verborgen in tijdschriften en betrekkelijk kleine oplagen gepubliceerd. Een moderne biografie bestaat niet. De biografische schets van J.M. Jalink uit 1963 geldt nog altijd als de belangrijkste bron, waarin ook herinneringen van tijdgenoten en leerlingen worden aangehaald. Geerten Gossaert noemde Leopold 'Leipje' (Musschoot, 1984, p. 76), maar bewonderde Leopold net als Schmidt-Degener en Jacobsen dat deden en herinnerde zich de bijzondere plaats die Leopold 'in het hart van de Rotterdamse letterjeugd' innam. Ook nu nog is Leopold niet een veelgelezen maar wel een hooggewaardeerde dichter, wiens verzamelde gedichten wel degelijk enkele herdrukken beleefde en over wie met grote regelmaat publicaties verschijnen, onder andere in de reeks Leopoldcahiers van de Stichting J.H. Leopold (vanaf 1982). In 2010 las Ramsey Nasr bij de opening van het Boekenbal een gedicht voor waarin hij Leopold 'mijn zeldzame held' noemde.