Om mijn oud woonhuis peppels staan
'mijn lief, mijn lief, o waar gebleven'
een smalle laan
van natte blaren, het vallen komt.

Het regent, regent eender te horen
'mijn lief, mijn lief, o waar gebleven'
en altijd door en
den treuren uit, de wind verstomt.

Het huis is hol en vol duisternis
'mijn lief, mijn lief, o waar gebleven'
gefluister is
boven op zolder, het dakgebint.

Er woont er een voorovergebogen
'mijn lief, mijn lief, o waar gebleven'
met lege ogen
en die zijn vrede en rust niet vindt.

Er wordt over Leopold allemachtig hooggestemd gedaan. Hij lijkt vaak een soort hogepriester en visionair voor oude besjes die zich de voorlaatste ondergang van het avondland nog herinneren, maar dit gedicht van hem is eigenlijk gewoon een liedje.

Je kan het voor je uit neuriën. Een beetje melancholiek is het wel, met zijn verwijzingen naar een woonhuis dat oud is, een laan die smal is, blaren die nat zijn, gefluister op zolder en lege ogen. Hier heerst de schemertoestand van de weemoed. Het gaat om het uur van de twijfel en de muil van de nacht - het is er van de eerste tot de laatste regel herfst en grijs. Het regent buiten, binnen spookt het en de man met de lege ogen loopt krom.

Toch zit er ook een haast vrolijk en dynamisch staccato in de zinnen, de woorden buitelen over elkaar, met speelse rijmen - het lijkt verdomd Gezelles Het mezennestje is uitgebroken wel, zangwijs alom verkrijgbaar. Het doorslaggevende bewijs echter dat het hier om een liedje gaat is de regel

'mijn lief, mijn lief, o waar gebleven'

- een regel die tussen aanhalingstekens staat - om hem duidelijk van de rest af te zonderen - en die in ieder couplet in gelijkluidende vorm wordt herhaald. Een refrein dus.

Waar een refrein is, is een liedje.

Hoeveel spitsvondige bladzijden zijn er niet geschreven over het feit dat Leopold

Om mijn oud woonhuis peppels staan

in plaats van

Om mijn oud woonhuis staan peppels

meegaf als eerste regel aan dit gedicht! Zoals het er nu staat - met die ongewone inversie - klinkt het een beetje kinderlijk en een beetje onbeholpen, en oei oei, Leopold mag voor geen goud kinderlijk en onbeholpen klinken. Hele geheimen en samenzweringen werden er achter vermoed. Het stond er zo prominent, dat peppels staan - daar moest iets achter schuilen.

Ik hou het er op dat Leopold er alleen de suggestie van een lied mee heeft willen versterken. Zo'n omkering is voor de aanhef van liedjes nu eenmaal heel gebruikelijk. Een scheepje in de haven landt. Een karretje op een zandweg reed. Als goede kinderen slapen zacht.

Leegte, gemis, naderende hersft - het wordt in dit gedicht allemaal gesuggereerd en aangestipt, niet uitgelegd.

het vallen komt.

Met zo'n korte snik kan Leopold volstaan. In de tweede strofe heeft hij het nog een keer over de monotonie van de regen en in de derde over de sombere leegte van het huis, maar in beide gevallen gaat het allang om iets anders - om geluid. Horen, verstomt, gefluister - dat zijn de sleutelwoorden in die strofen. De wind is gaan liggen om te luisteren, want de regen zingt en de zolder zingt.

De regen zingt droevig en de zolder zingt dreigend.

In die atmosfeer - en niet eerder dan in de slotstrofe - wordt de bewoner van het huis geïntroduceerd, de bewoner van een eindtijd - herfst - en van een eindstation - spookhuis -

Er woont er een voorovergebogen

- iemand 'met lege ogen en die zijn vrede en rust niet vindt'. Iemand dus die op niets hoopt en niettemin troosteloos is.

De dichter zelf.

Dat het de dichter is weten we uit de eerste regel. Zelfs door het gepeppel kan het ons niet zijn ontgaan dat daar stond: om mijn oud woonhuis. Verder komt er in het gedicht geen ik meer voor. Dat in de slotstrofe zelf de dichter zich - in een soort vogelvlucht - als het ware zelf ziet rondwaren draagt extra bij aan het gevoel van treurnis en eenzaamheid. Droeviger kan een liedje wel niet zijn.

De aanhalingstekens staan er niet alleen om het refrein te benadrukken, ze duiden er vanzelf ook op dat hier iemand wordt geciteerd. Op die manier wordt tussen het mijn uit mijn oud woonhuis (eerste regel) en het mijn van mijn lief (tweede regel) meteen al een splitsing aangebracht. Het gaat wel om het oud woonhuis en het verloren lief van één en dezelfde mij, maar door die aanhalingstekens heeft de dichter al van het begin af de schijn weten op te houden dat het iemand anders is die in zijn gedicht loopt te zingen.

Ze zullen ook niet meer samenkomen, de eigenaar van het huis en de eigenaar van het gemis. Aan het slot blijft de man van het refrein, nog steeds zingend over 'mijn lief', derde persoon enkelvoud - een vreemdeling in eigen woning.

'Er woont er eentje.' In mijn oud woonhuis.

Dat schrijnt, zo'n slot.

Wat ons bijblijft is het beeld van een schuwe man die door laan en huis zijn gruwelijk refrein voor zich uit bromt, het beeld van een zonderling die zingend door een godverlaten woning strompelt, maar ook van iemand - nietwaar - die een liedje loopt te zingen in een liedje.

'Mijn lief, mijn lief, o waar gebleven' vormt het refrein binnen de harmonie van een groter lied, of liever - de schrille kreet die snijdt door de disharmonie van een kosmos.

© Gerrit Komrij

Eerder verschenen als: '59 Om mijn oud woonhuis...', in: Gerrit Komrij: In liefde bloeyende: de Nederlandse poëzie van de twaalfde tot en met de twintigste eeuw in honderd en enige gedichten. Amsterdam: Bakker, 1998, p. 222-225.