Leven als dubbeltalent
Lucebert werd geboren in 1924 en was de tweede zoon van een huisschilder. In zijn jeugd was hij vaak alleen zijn moeder verliet het gezin toen Lucebert twee jaar was, zijn vader werkte en zijn broer was naar school- en om de verveling tegen te gaan, was hij al op jonge leeftijd bezig met schrijven en tekenen. Het feit dat hij talent bezat bleef niet onontdekt, en rond 1938-1939, hij was toen vijftien jaar, bezocht Lucebert het Instituut voor Kunstnijverheidsonderwijs. De directeur van het instituut, Martin Stam, had veel vertrouwen in de capaciteiten van Lucebert, en bezorgde hem een beurs. Echter al na een half jaar stopte hij met deze opleiding, omdat Luceberts broer hun vader ervan wist te overtuigen dat het beter was als hij een 'fatsoenlijk beroep' zou kiezen (Jensen, 2001, p. 14).
In de eerste jaren van de oorlog had Lucebert her en der kantoorbaantjes, totdat hij in 1942 een oproep kreeg: hij werd gedwongen te werk gesteld in Duitsland, in een springstoffenfabriek.
Aan het einde van de oorlog keerde hij terug naar Nederland, om daar een bestaan als kunstenaar op te bouwen; hij vulde zijn dagen met het schrijven van gedichten en het maken van tekeningen. Hij wilde ook niet langer bij zijn vader wonen, omdat deze het niet eens was met Lucebert's keuze om kunstenaar te worden. Hij zag wel dat zijn zoon een zeker talent bezat, maar vond het verstandiger als hij voor een 'echt' beroep zou kiezen. Het gevolg was dat Lucebert een zwerversbestaan leidde, in zijn eigen woorden: 'een avontuurlijk bestaan' (Jensen, 2001, p. 21), een periode die tot mythevorming heeft geleid. Weliswaar sliep hij een enkele keer op een bank in het Vondelpark, meestal vond hij bij vrienden onderdak en kon hij beschikken over een atelier om te tekenen en te schilderen. Ook kreeg hij verschillende opdrachten voor wandschilderingen. Vanaf die tijd noemde hij zichzelf niet langer Bertus, Bert of Lübertus, maar Lucebert en zijn achternaam Swaanswijk ging hij steeds minder vaak gebruiken. In deze periode ontstonden veel gedichten die in 1951 in zijn eerste bundels werden opgenomen.
In 1947 vond een eerste ontmoeting plaats met Gerrit Kouwenaar, die redacteur bij De waarheid was. Dit betekende een keerpunt in zijn leven. De toen 24-jarige Lucebert probeerde aan verschillende kranten en tijdschriften zijn tekeningen te verkopen, en Kouwenaar was geïnteresseerd in zijn werk, al kon hij op dat punt weinig voor hem doen. Maar al snel liet Lucebert Kouwenaar ook zijn gedichten lezen: deze was hier meteen erg enthousiast over en introduceerde Lucebert bij zijn collega-dichter Jan Elburg.
Eind 1948 sloten Lucebert en Kouwenaar zich aan bij de Experimentele Groep in Holland. Dit gezelschap van beeldende kunstenaars, dat jaar opgericht, zou uiteindelijk uitgroeien tot de Cobra-groep, de internationale beweging van schilders en schrijvers waarvan Asger Jorn (Copenhagen), Dotremont (Brussel), Appel, Corneille, en Constant (Amsterdam) de belangrijkste waren. Deze beweging was een reactie op het theoretisch estheticisme van de surrealisten; de schilders van Cobra wilden het spontane in de kunst benadrukken. Hier was ook de parallel te zien tussen de schilderkunst en de dichtkunst: zowel dichters als schilders voelden de drang om 'opnieuw te beginnen', om alles achter zich te laten en een nieuwe weg in te slaan. Dit uitte zich in een grote belangstelling voor spontane kunstuitingen, zoals kindertekeningen, en de kunst van de primitieve volken. De nieuwe idealen waren niet alleen artistiek: ook op maatschappelijk vlak was er, na de Tweede Wereldoorlog, een sterke behoefte aan vernieuwing. Dit denkbeeld bleek onder andere uit een manifest dat Constant schreef in 1948. Daarin noemde hij het spontane scheppen in de leegte die ontstond door de oorlog. In dit manifest werd het experimentele in de kunst benadrukt: de experience, de ondervinding, de ervaring die de kunstenaar opdoet tijdens het spontane scheppen. Het accent lag voor de kunstenaar dus niet op het kunstwerk zelf, maar op het scheppingsproces van het schilderij. Of van het gedicht, want deze theorie werd later ook gekoppeld aan de dichtkunst.
Toen eind 1949 in het Stedelijk Museum in Amsterdam een Cobra-tentoonstelling werd gehouden, werden de ideeën van de experimentelen bekend in bredere kring. Uiteindelijk duurde Luceberts lidmaatschap van de Cobra-groep maar kort, want vrijwel meteen na de opening van de Cobra-tentoonstelling in het Stedelijk Museum in 1949 verliet hij de groep. Er was onenigheid en Constant eiste Luceberts vertrek. Veel moeite had hij hier niet mee, want de verhoudingen tussen de dichters en schilders was volgens Lucebert alles behalve gelijkwaardig: de dichters werden als tweederangs beschouwd (Jensen, 2001, p. 26).
- Lees verder over: De opkomst van de Vijftigers
- Terug naar: Introductie