De opkomst van de Vijftigers

In de Nederlandse literatuur was het lange tijd betrekkelijk rustig geweest, toen Lucebert zich in het begin van de jaren vijftig manifesteerde als de voorman van een nieuwe beweging in de literatuur: de Vijftigers, met hun experimentele poëzie.

De oprichting van het tijdschrift Forum in 1932 bracht in Nederland een traditie met zich mee die afkeurend stond tegenover avant-gardistische impulsen. Het ernstige intellectualistische modernisme brak door in Nederland, en deze traditie bleef gedurende een periode van twintig jaar de boventoon voeren in de Nederlandse letteren. Met de komst van Lucebert en de beweging van Vijftig leek er verandering te zijn komen in het Nederlandse literaire klimaat:

Maar de keizer der Vijftigers [Lucebert] moet daarvoor wel met het een en ander breken. Met het ernstige modernisme vooral en zijn hyperserieuze humanisme, die de nasleep van Forum kenmerken.
[...].
Lucebert zet daar een frisse, aardse spontaniteit tegenover. Ook is het voor hem gedaan met de nadruk die het impliciete voorschrift van Forum legde op het personage als subject. Luceberts gedichten zijn 'proefondervindelijk', wat onder meer betekent dat identiteiten en persoonlijkheden niet zomaar gepresenteerd worden, maar maar dat ze in het ontstaansproces van de tekst experimenteel en voorlopig worden geformeerd. (Vaessens, 2001, p. 8).

Naast het modernisme van Forum was er nog een andere traditie waar Lucebert en de zijnen mee afrekenden: de anekdotische Criterium-poëzie van dichters als Vasalis, Hoornik en Aafjes, voor wie de sonnetvorm en het jambische metrum favoriet waren. Deze poëzie verscheen in het tijdschrift Criterium, opgericht in 1940, en wordt nogal vaag gekarakteriseerd als 'romantisch-rationalisme' (Anbeek, 1990, p.197-198).

De Vijftigers verzetten zich tegen 'het kleine en benauwde van de toen in zwang zijnde Criterium-poëzie, met zijn geniepige eerbied voor de kleine dingen, met zijn angst voor het grote en meeslepende' zoals Elburg de afkeer omschreef. (Anbeek, 1990, p. 200; Fokkema, 1979, p. 157). Ook de typering die Paul Rodenko gaf aan de poëzie uit de jaren 1945-1950 sprak voor zich: 'Van de buitenwereld geïsoleerde inteeltpoëzie' (Rodenko, 1977, p. 293). En ook in het gedicht 'Te hard geschreeuwd', waarmee Remco Campert debuteerde in 1950, was dezelfde kritiek terug te vinden:

Nu Roland Holst oud geworden is
en vierregelrijmen wisselt met Vestdijk,
weggelopen demonen tracht terug te roepen,
en men Voeten een belangrijk dichter vindt,
wordt het tijd dat wij iets laten horen,
een stem dwars door puinstof heen,
die glipt door de spijlen van het bedskelet,
die nooit de baard in de keel wil hebben,
die wil bevechten een groot geluk of ongeluk
(een klein geluk is geen geluk),
die door schade en schande
nooit wijzer wil worden.
Een stem, die door alle huizen zingt
het water doet overkoken en
de stoppen der berusting doet doorslaan.
Een stem, waarvan het geluid zich voortplant
door de buizen onder de vermoeide stad
en die antennedraden op maanlichtdaken
doet trillen, trillen, trillen -
Zo'n stem; eerder rusten wij niet.
(Uit: Libertinage, 3 (1950), p. 181)

De dichter moest zich niet langer bezig houden met kleine dingen; poëzie moest maatschappelijk geëngageerd zijn en midden in het leven staan.

Het zou echter onjuist zijn om te concluderen dat de hele Beweging van Vijftig zich verzette tegen Criterium, of tegen de eerder genoemde modernistische gedachtegoed van Ter Braak en Du Perron. Lucebert benadrukte vaak dat hij respect had voor zijn voorgangers; deze voorgangers hadden allemaal iets te zeggen. Een uitzondering hier was Willem Kloos, de enige dichter over wie Lucebert openlijk kritiek uitte. Op een directe manier, zoals in het gedicht 'Het orakel van monte carlo' uit februari 1949, gepubliceerd in de bundel van de afgrond en de luchtmens:

ginds zag ik de schim van Willem Kloos
de schim van willem kloos te monte carlo
te monte carlo in het speelhuis willem kloos

oh kloos klotsende klok met schuimende klepel
waarom nu nog souvereigns pounds pecunia verspelen
er is geen toren meer die je kan horen

er zijn nu kleine gasfabrieken kloos
ateliers voor elastieken broeken kloos
bolle glazen koffiekokers
lezers die de kranten lezen
zeer gezochte geesteszieken
kamers voor het kleine hart
en harten voor sigarenas
en pas gewassen damshaar
met aan de tafels ver en zwaar
herenboeren als een hoos

en verder alles is - aesthetisch - 
voos

Lucebert schrijft als het ware een open brief aan zijn grote voorganger in een taal die Kloos nauwelijks begrepen zou hebben, met beelden waarin 'water' verandert in 'winterdas', maar vreemdgenoeg eindigend met een bijbels beeld:

gij kloos die hier met eigen schim rinkelend rondwaart
gij die hier de roulette radeloos draaien laat
waarom was je god zo diep in je gedachten
en waarom liep hij niet gewoon op straat
met gewoon een paar ogen hardharen vachten
en gewoon twee handen die de armen dragen
een paar armen aan het tandsteen van de aster
of het maagre handbeen van de roos
oh kloos je was een slechte rechter
en erger nog je was de slechte dichter
die aan de rechterhand des heeren
die had het door:

de Vrede graast de Kudde voor
(p. 118-119)

Ook indirect zette Lucebert zich af tegen Kloos en de dichters van Tachtig die met kunst voor de kunst-opvattingen en het bezingen van particuliere emoties de maatschappij buiten de poëzie hielden. Een voorbeeld van dit indirecte protest tegen Kloos en zijn navolgers is het bekende openingsgedicht van de bundel Apocrief: 'Sonnet', een parodie op de ik-zangen en op de sonnetvorm (die door Kouwenaar: de 'hangmat voor luie zielen' werd genoemd):

ik
mij
ik
mij

mij
ik
mij
ik

ik
ik
mijn

mijn
mijn
ik

Maar de betekenis van dit protestvers is niet eenduidig. Zie bijvoorbeeld de interpretatie van Gerrit Komrij uit 1998 of het recente commentaar van Jos Joosten, die dit gedicht ziet als het ultieme, als het ware naakte, sonnet: 'Pas ná dit openingsgedicht kan de nieuwe poëzie een aanvang nemen in de rest van Apocrief' (Joosten, 2003, p. 26).

In het begin van de jaren vijftig vond er dus een rigoureuze breuk plaats met de bestaande traditie, en die breuk werd veroorzaakt door de poëzie van Lucebert en de andere Vijftigers.