Lucebert tussen de Vijftigers

De dichters van de beweging van de Vijftigers plaatsten zich duidelijk tegenover de eerdere generaties en dat veroorzaakte frictie. Bekend is de reactie van dichter Bertus Aafjes (zelf destijds overigens beschouwd als een rebel, zij het een Roomse rebel), die deze poëzie ongelukkig vergeleek met de fascistische bezetters van Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog (vier artikelen over de experimentele poëzie in Elseviers weekblad). Daarop reageerde Lucebert met een 'Open brief aan Bertus Aafjes' in De groene Amsterdammer (4 juli 1953). Maar ook in gedichten sprak Lucebert zich vaak over oorsprong en doel van zijn eigen poëzie uit en zo schreef hij ook een 'Verdediging van de 50-ers'. Hij begint met een provocatie door het communistisch jargon te gebruiken:

kameraden, in onze conjecturale taal geschreven,
zijn onze verzen vaak te zwaar met ervaring geladen.
waren wij van europa de chinezen,
was holland een rose perzikentuin,
onze poëzie zou dan eenvoudig zijn,
zou zijn een kopje thee met rozenbladen.

maar in Holland staat een huis; daar wonen
vrezen voor luizen, ladelichters en voor sowjetraden;
daar wonen struise dochters, stoere zonen
die met een kale god in 't trapportaal
- terwijl de radio der buren raast -
in swing en sweet te niet, cellen zijn en daarna zaden.

de hollandse cultuur is hol van helen,
het leven in commissie niet alleen een zede, ook genade
de eigen zaken eigen zielen zijn bordelen,
zodat de vreugde met een vreemde vrouw in bed,
des anderen daags in kuise verzen omgezet,
niet ruisen als het zaad, maar kraken als kostschoolse gewaden.

gij letterdames en gij letterheren,
gij die in herenhuizen diep zit uit de pluizen daden,
ik zeg Daden van genot en van ontberen,
wanneer gij blake rimbaud of baudelaire leest;
hoort, door onze verzen jaagt hun heilige geest:
de blote kont der kunst te kussen onder uw sonnetten en balladen.

En hij belooft wraak, want later zal dat alles 'u verneuken en verkreukelen en dan - godverdomme - geen genade'. De slotstrofe luidt:

alleen weet, vredig nederland, ik en mijn kameraden,
wij houden de muze als een paraplu in onze broeken
en zoeken ons dekadentenlot in het record: te braden,
volledig bruin te braden in de genaden van zwelgen en vervloeken.
tegen uw muur zwellen wij met het rapalje tot een blaas
een zware zak met lachen, krampen, gillen en graas:
uw hemel wordt met onze zwerende ervaring overladen.
(p. 412-413)

Lucebert heeft altijd te boek gestaan als de voorman van de Vijftigers. Dit heeft volgens C.W. van de Watering (Watering, 1984-1985, p. 5) meerdere oorzaken. Eén daarvan was de spectaculaire manier waarop Lucebert zich profileerde. Een bekend voorbeeld hiervan is de scène rondom de uitreiking van de Poëzieprijs van Amsterdam op 27 maart 1954, die werd afgelast toen bleek dat Lucebert verkleed als keizer zijn prijs in ontvangst kwam nemen. Hoewel het nu moeilijk is voor te stellen, was men toen ernstig verontwaardigd over dit optreden. Een andere reden voor het feit dat Lucebert als de onbetwiste meester van de Vijftigers wordt beschouwd, is volgens Van de Watering de kwaliteit van zijn poëzie: niet alleen Luceberts optreden was spectaculair, ook zijn poëzie was dat. En dat is de mening van velen als het gaat om de kwaliteit van de afzonderlijke dichters van Vijftig. Zo kroonde een weekbladcriticus in 1953 Lucebert tot 'Keizer der Vijftigers', een bijnaam die altijd aan hem is blijven kleven. En Van de Watering schrijft dat 'zelfs de tegenstanders van het eerste uur' in Lucebert een groot dichter herkenden en erkenden.

Welke dichters kunnen nu gerekend worden tot de Beweging van Vijftig? Een moeilijke kwestie: wie erbij hoorde en wie niet is tot aan het einde van het gezamenlijke optreden onduidelijk gebleven. Hans Renders zegt in zijn nawoord bij de jubileumuitgave van de bloemlezing Vijf 5 tigers: 'Wie door Vinkenoog was toegelaten in Atonaal, ging van toen af aan als Vijftiger door het leven'. Deze door Simon Vinkenoog samengestelde bloemlezing verscheen in 1951 en kan beschouwd worden als de aankondiging van het bestaan van de Vijftigers aan de buitenwereld. Met de woorden van Renders in het achterhoofd is te concluderen dat Hans Andreus, Remco Campert, Hugo Claus, Jan G. Elburg, Jan Hanlo, Gerrit Kouwenaar, Lucebert, Paul Rodenko, Koos Schuur en Simon Vinkenoog als Vijftigers beschouwd kunnen worden. Voor de volledigheid: bij de derde druk van de bloemlezing werden door Vinkenoog gedichten van Rudy Kousbroek, Bert Schierbeek en Sybren Polet toegevoegd. Zij zouden dus ook het predikaat 'Vijftiger' kunnen krijgen. Hoewel de geschiedenis anders doet vermoeden, was het nooit de bedoeling van de Vijftigers om zich zo markant als een groep of beweging te profileren. Kouwenaar benadrukte dit nogmaals in zijn inleiding bij de bloemlezing Vijf 5 tigers:

'Laat mij daarom beginnen met nog eens nadrukkelijk vast te stellen, dat: a aan het verschijnsel van de experimentele poëzie geen enkel [gemeenschappelijk] programmatisch streven ten grondslag ligt, b de zogezegde experimentelen geen school, geen vakvereniging, geen partij vormen, c hun instelling, hun interessen en belangen tot op zekere hoogte parallel lopen [...] maar dat het voor de rest vooral de situatie is die tezamen in de experimentele schuit heeft doen belanden, dat het in hun poëzie niet gaat om een nieuwe 'vorm' en eigenlijk ook niet om een nieuwe 'inhoud' of hoe men dat noemen wil, maar om een nieuwe poëzie, beter gezegd, een andere poëzie'.

En ook Lucebert ontkende dat er grote samenhang bestond tussen 'de experimentelen':

'Het gelijktijdig ontmoeten van gelijkgerichte mensen is nu eens niet de een literaire school met een program geworden. "De" experimentelen dat willen de critici omdat het zo makkelijk is. Er bestond geen clubgeest en dus ook geen club met alle narigheden van dien, ruzies en royementen, zoals bij de surrealisten. Voor de buitenstaander blijkt nu pas achteraf dat iedere "experimenteel" niet alleen een eigen geluid heeft, maar daarbij ook nog hardnekkig individualist is, wat ze eerst niet konden of wilden zien' (interview met Jesserun d'Oliveira, gepubliceerd in Tirade, 30 (1959), p. 183).

Strikt genomen bestond er dus geen gemeenschappelijk programma (zoals de Tachtigers dat hadden in de vorm van Kloos' inleiding bij de gedichten van Perk), maar Vinkenoogs 'Bij wijze van inleiding' voor de bloemlezing Atonaal uit 1951 en Kouwenaars woorden voorafgaand aan de bloemlezing Vijf 5 tigers uit 1954 fungeren toch als zodanig. Of, zoals Hans Renders deze inleidingen karakteriseerde: 'een compromis tussen die vijf onderling nogal verschillende dichters' (Renders, 2000, p. 89). Wat in beide 'beginselverklaringen' naar voren kwam, was dat de poëzie van Vijftig iets volkomen nieuws was: het bouwde op geen enkele Nederlandse traditie. Er waren, op Gerrit Achterberg na, geen Nederlandse dichters voor wie de Vijftigers waardering voelden. De nieuwe poëzie sloot aan bij de internationale avant-garde van het interbellum, bij Paul van Ostaijen, T.S. Eliot, Antonin Artaud, René Char, Ezra Pound en Henri Michaux. Deze vaststelling leek te bevestigen wat al veel critici de Vijftigers hadden verweten: dat ze dada en het surrealisme herkauwden, stromingen die in het buitenland al lang hun weg hadden gevonden.

Kouwenaar probeerde in zijn inleiding te verklaren waarom deze ontwikkeling in Nederland zo laat doordrong: 'In snel tempo, want met een hete oorlog nog naschroeiend in geheugen en lichaam en zeer zeker ook onder invloed van de opstekende vrieswind van de koude oorlog, heeft zich in de jonge generatie een proces voltrokken, dat in andere landen al na de eerste wereldoorlog begonnen was. Maar nu was het 1950 en niet meer 1920: de koude vrieswind deed de tranen bevriezen. Er waren thans 30 jaar ervaring, dwz. concentratiekampen, angst, een hongerwinter, een volstrekt dood sonnet, een korea, een steinberg, een astablet, een mau-mau, etc. voorhanden, dwz. minder romantische Weltschmertz-naïveteit en aanzienlijk meer realiteitszin'. (Kouwenaar, 2000, p.8).

Wat waren nu de overeenkomstige kenmerken van de experimentele poëzie van de Vijftigers? De Vijftigers brachten een andere poëzie. Ze was anders omdat ze, in tegenstelling tot de oude poëzie, elke scheiding tussen vorm en inhoud principieel afwees. De Vijftigers waren tegen elke 'vorm', omdat deze een scheiding met de inhoud veronderstelde, terwijl de experimentele dichter juist bezig was met het opheffen van deze scheiding. Hij zocht naar een samensmelting tussen vorm en inhoud, een zelfstandige eenheid.
Een ander typerend kenmerk van de experimentele dichters was hun typisch anti-intellectualistische instelling, 'hun verzet tegen de dictatuur van het abstracte denken en het in tal van vermommingen gehulde dualisme vorm-idee, expressie-aesthetica, dat als een ont-lichamelijking, d.i. ont-menselijking wordt ervaren'. (Kouwenaar, 2000, p. 10).

Veel van de poëzie van de Vijftigers ontstond tegen de achtergrond van de muziek uit die tijd: de jazz, die met alle improvisaties of quasi-improvistatie, een geest van vrijheid vertegenwoordigde, ook al omdat de bakermat van de jazz, Amerika, had deelgenomen aan de bevrijding van Europa in 1944-1945. Daarbij kwam voor Lucebert dat het optreden, het voorlezen, het gehoor, voor zijn gedichten van levensbelang was. De gedrukte tekst blijft ook bij hem achter bij de 'performance' (Dorleijn, 1999, p. 256). Een tweede karakteristiek was volgens Dorleijn: 'De logica van de improvisatie: in een combinatie van associatieketens en spontane spoorwisselingen komt de goede solo en het goede gedicht tot stand'.
Het lichaam, de zintuiglijke ervaring was voor de experimentelen dé manier, hét middel om door te dringen in de menselijke existentie. Ze wilden het woord 'ontdoen van zijn ideële schuimlaag en het [weer] een stoffelijke functie te geven door via hun puur menselijke ervaringen [voelen, zien, kranten lezen, horen, au zeggen, drinken, uitglijden, fietsen, zoenen, bang zijn] iets van het oorspronkelijke naakte Zijn […] te [her]ontdekken en van daaruit opnieuw te starten' (Kouwenaar, 2000, p. 11).

Verder merkte Kouwenaar op dat de verschijningsvorm van de experimentele poëzie weliswaar anders was (logisch verband tussen woorden had plaatsgemaakt voor een overwegend associatief verband en een vrij ritme trad op als vervanger van maat en metrum), maar dat dit alles niet zonder reden was. De experimentele dichter legde zijn wil niet op aan het woord, maar liet zich juist leiden door het woord: het schreef hem de wet voor. Al schrijvende werd de dichter door het woord naar onbekende gebieden gevoerd. Het gedicht was geen geïmiteerde realiteit meer, maar een in zichzelf besloten actie, een bol vol spanningen, die opgewekt werden door klanken, ritmen, beelden en betekenissen. Niet de dichter had een bedoeling, maar het gedicht. In wezen was dit geen breuk met de traditie, maar een doorgezette vernieuwing: in Engeland T.S. Eliot en in Nederland M. Nijhoff benadrukten al de autonomie van het gedicht in befaamde regels als: 'gaan waar de woorden gaan'.

Het experiment van de Vijftigers was in de eerste plaats een experiment met de taal. 'Het gedicht is hierbij een aanval in de taal op de taal, met het doel de menselijke stem te redden tegen de sprakeloosheid' (Mulder, 1999, p. 307).
Als er al sprake was van een beweging, dan viel deze halverwege de jaren vijftig uiteen. De poëzie van de Vijftigers was geaccepteerd door de critici en vanaf dat moment werden de dichters individueel beoordeeld.