Het orkest van je obsessies: citaten uit de latere gedichten van Lucebert (1989-1993)
hoog in je schedel waar speelt woest
het orkest van je obsessies
(p. 702)
Troost de hysterische robot (1989)
In 1989, acht jaar na de vorige bundel, verscheen opnieuw een bundel gedichten van Lucebert: Troost de hysterische robot. Een groot deel van de bundel bevatte het gelijknamige oratorium dat nooit is uitgevoerd. De personages waren - net als in de oudste klassieke opera's waarin 'goedheid' en 'woede' optraden - geen mensen van vlees en bloed, maar archetypen, zij het moderne: 'een geest ontdaan', 'het kind van zijn tijd', 'de rechtvaardige', 'het gerecht', 'de zieke stem' die hun solo zingen, afgewisseld door het koor, 'de heks' en 'de tovenaar'. Er is een 'ironikus', er is 'de boetvaardige zondaar', 'de andere boeteling' en 'de sarkastikus', 'de technikus, 'de eenzame vrouw' en de 'eenzame man' en natuurlijk 'het lied van de robot'. Het oratorium richt zich tegen de kleinzerigheid van het individu ('bezeerde kleinzerige zielen', zoals de tovenaar het formuleert, p. 673). Ook de sarkastikus hekelt 'deze slapstick der melancholie' en 'de megalomanie der dekadentie' (p. 679). Het lied van de robot klinkt erg mechanisch, als een vertaalmachine die niet goed is afgesteld en alleen nog kinderrijmpjes kan produceren:
hond hij blaffen
man hij blaffen
vrouw zij blaffen
en zijn lied eindigt met:
niet mede
geen deel
niet ver
geen deel
niet voor
geen deel
niet oor
geen deel
geen zin
geen zijn
(p. 684)
De overige gedichten in deze bundel kenmerkten zich door Luceberts veerkrachtige regels en de zelden falende spanningsboog die strak staat van het eerste tot het laatste woord van het gedicht. Lezers van Lucebert vervelen zich nooit, al irriteren ze zich wel eens aan de onbevattelijkheid van sommige passages. Deze poëzie is bijna nergens op het eigen ik gericht, doorgaans is de strekking van algemener aard, verwoord op de wijze van een visionair of waarnemer die kijkt naar monsters, koorddansers, moordenaars en bedelaars (p. 618).
Er zijn weer nieuwe voorbeelden van neologismen, zoals 'zegevirussend':
zo walst de waarheid op naar haar centrale
schoon beschadigd zegevirussend aan het eind
draait zij zich om zich automatisch te herhalen
om zich te herhalen automatisch tot het eind
(p. 621)
Ook tegenstellingen hopen zich op: 'colorist' tegenover 'kleurenblind', 'verkleinglas' tegenover 'vergrootglas', 'versterker' tegenover 'verzwakker' (p. 624).
Dichters en schilders passeren een voor een de revue. Herman Gorter wordt een 'groot dichter' genoemd (p. 626). De dood van Adriaan Roland Holst - die net as Lucebert in Bergen (Noord-Holland) woonde, werd met twee gedichten herdacht:
zeg dat deze dode dichter nog een beboterde schim is
of de roepklok der koude een hoestbui door de bloedbaan
dat hij als poëtisch zwaargewicht het hemelse zweetbad leegdronk
of dat hij waar hij ook maar de lont van god rook
die uittrapte omdat hij verachtte de kwezels
en de slotregel van dit gedicht 'pegasus' luidde:
jany was een broos maar verschrikkelijk paard
(p. 628)
Het tweede gedicht ter herinnering van Roland Holst, eertijds prins der dichters genoemd, totdat de experimentele dichters de keizerskroon voor zich opeisten, herinnert aan die strijd tussen de generaties:
herinner onze lichte spot toen hij ons maande
bij het na-onweren van het beest en de geest
zich nauw bergen zag bij de val van al het bestaande
want wat voor hem onaantastbar was dat was geweest
maar wij die ons weer ver van alle ravage waanden
staan nu onder een bescheten hemel verweesd
eenzaam her en der op een armzalige aarde
voor de eigen tierige tijd bevreesd
en wachten af - overbodigheid oogst respijt
in het genot van nietigheid: wat emballage onberoerd
eens verbeterd nu verbeten leeg en nooit vervoerd
en bij finaal transport voorgoed vergeten
want niets en niemand was ons kwijt
(p. 629)
Aan Hans Arp werden vijf gedichten besteed, gelardeerd met korte, komische versjes:
met wat bijslaap en likeur
stelt het leven niet teleur
en:
ware weelde al is het maar stront
gaat nooit per ons maar altijd per pond
(p. 635)
Over de schilders beweerde Lucebert dat hun 'hoofdbrekens' waren: 'even vanzelfsprekend als die der goden en dieren':
zullen wij de aap aap laten of kleden
geven we pootjes aan oma of slaan we opa dood
zijn wij vermetel of genadeloos
daarbij staat de schilder aan grote gevaren bloot
al schilderend spot hij met de dood
hoeveel giftig cadmium verdraagt met zadelpijn de kentaur
terwijl hij de nimf beklimt in het met cremserwit beregend riet
(p. 638)
Over de taal van dichters en filosofen:
de door dichters bezongen waterval van koeterwaals en prietpraat
blijkt de hoorn des overvloeds der filosofen
stel dat tijd met licht als oorveeg voorgoed de ogen opent
uitzicht biedt slechts de verstenende stilte tussen de sterren
(p. 645)
Het heelal: nooit te groot om te worden vervat in een gedicht van Lucebert. Maar ook het kleine, dagelijkse werd in beelden verhelderd, zoals ook de waanzin en de erotiek:
ik ben nu het stormt en raast een naakte dwaas
of juist een windbuil met de zuidwester op zijn gulp
(p. 651)
Zulke beelden als:
de maan staat op haar steel
(p. 659)
kleuren zijn gedichten, die de in hun taalgebruik - ook als de dichter ouder wordt - de onbevangenheid van een kind uitstralen:
een kind moet zich wel erg intomen
om niet levenslang te dagdromen
(p. 659)
Van de roerloze woelgeest (1993)
Vier jaar na Troost de hysterische robot verscheen de nieuwe bundel Van de roerloze woelgeest, het werd de laatste bundel die Lucebert zelf gepubliceerd zag. De bezorgdheid van de dichter over het welzijn van de wereld is onverminderd:
in het grote nest is er altijd wel geweld
luidde de eerste regel van de bundel en in de loop van het gedicht werd het er niet vrolijker op:
de uitgestoken hand zal ons eerst bedriegen dan bedreigen
en tot slot:
nooit is iets zonder geweld en nergens is het stil
(p. 693)
Techniek speelt daarbij een grote rol, want de perfectie van de apparatuur is gevaarlijk en onzinnig vanwege de imperfectie en de emotie van de mens. In 'de meter van navranski' wordt een uiterst nauwkeurige 'slikmeter' omschreven, met een 'zuiver nauwkeurige schaalverdeling' en een 'niet minder zuiver nauwkeurige wijzer', die de man vervolgens
vanwege een waas van genot en tranen voor zijn ogen
niet meer zo zuiver en nauwgezet kon volgen
(p. 694)
De mens wordt - in een gedicht dat aan het lange gedicht Cheops van J.H. Leopold refereert - vergeleken met een doodkist van vlees en bloed:
wij die in gewoonten wonen
met een grote doodgewaande in de borst
vlezige sarcofagen door slopers getorst
(p. 695)
Andere gedichten verwijzen naar het werk van Hans Faverey, Samuel Beckett, Ernst Jandl, Kenneth Patchen, Jan Hanlo, Jan Elburg, Jan van Ruusbroec, Dante en Marcel Duchamp:
je kiest de bizarrerie der mimicri
je laatste strooptocht een korte ademtocht
en in spiegels sta je waziger dus mooier
als dier haast onzichtbaar en zeker minder mijnheer
meer een engel die wandelt in weerlicht
(p. 759)
De bundel bevatte ook drie gedichten over onderdelen van het gezicht. Over het oog:
het oog lijkt een hefboom voor hoger en hoger
maar meer zien dan men ziet ziet men nooit
(p. 697)
Over de mond (in een gedicht dat het fraaie woord 'vraagzucht' bevat):
zo op het oog is de mond
een vleesetende vrucht
een dikke volle vrucht
aan een grote grijze boom
de grijze boom staat ingelijst
in listig gevlochten licht
(p. 698)
En over het oor:
diep in het open oor hoort men de nieuwe tijd
hoort men het dof rollen van spierballen
naar achilleshielen heen en weer
dat is dus de metronoom van de nieuwe tijd
(p. 699)
Er ligt veel nadruk in deze bundel op onbekende en onkenbare hersenspinsels, 'het orkest van je obsessies' (p. 702) en op de ouderdom en de zichzelf repeterende kunstenaar:
nu begint dat andere taaie ongerief
dat van de ouderdom van ik had je zo lief
moeder wereld knekelhuis en zonder baten
blaat je alleen nog verminkte citaten
waarmee je de legende van jezelf kruidt en bederft
en het wordt later en later
en daarbij blijft het niet, ook de omgeving en het nieuws worden ouder en al te vaak gezien en gehoord; redenen genoeg voor kluizenaarschap:
en dan de conversatie zeg maar geklets
elke aanspraak valt als een pot erwten in je oor
in je wanhoop zet je daar dan een dikke deur voor
en achter grendels achter het al vagere gekeuvel
draag je hijgend zand aan voor een hoge heuvel
die je dan met wankele tred beklimt tot de top
daar aangekomen stijg je langzaam op
in mist en stilte verdwijnt je oude kop
(p. 707)
Terwijl in zijn afgesloten atelier de schilder 'doet meer dan hij kan', wordt de wereld er niet beter op: 'buiten gaat alles teloor en kapot' (p. 713). Ook de dichter mag zich hieraan niet storen:
je moet niet alleen de zin naast de onzin bewaren
je moet ook nog bedaard in beide blijven geloven
(p. 724)
Is het vreemd dat hij zich daarbij concentreert op wat zich voor zijn neus afspeelt, als tegenwicht tegen het besef van de gemartelde aarde? Er is in elk geval een hele winkel vol etenswaren te ontdekken in deze bundel en de beeldspraak van koken en eten duikt op veel plaatsen op. Op het menu staat veel vlees: kotelet, klapstuk, hachee, spek, biefstuk, maar ook pudding, suiker, koek en puree. De dichter hangt kennelijk de gedachte aan dat het - omgeven door verschrikkingen - een heilige plicht is om te genieten van het leven:
het gevleugelde woord: je hoeft niet maar je moet
brengt hem bij een andere uitdrukking:
mogen moet
en mondt tenslotte uit in:
wees blij dat je mag wat je moet
(p. 742)
Er is ook de bij Lucebert gebruikelijke minachting voor gezeur:
netjes opgeborgen in de ribbenkast met talloos
elkaar verstikkende ikken en maar muggenziften
in deze santekraam vol half of heel onthechte
afgietsels van wat een achterbaks gesnotter ook
wat een gemeesmuil
(p. 762)
De dichter klinkt over berusting in de staat van de aarde fermer dan ooit:
wie nu nog roept zal alles beamen maar woedend
(p. 766)
Het is hulpeloos verzet, het helpt niet en dat weet hij; het is verzet om het verzet geworden, l'art pour l'art, omdat dit zijn wezen uitmaakt en hij dat nooit zal opgeven. Hij zal dus niet ophouden zijn lezers en medeburgers te geselen, want:
wie niets meer voelt
moet maar weer eens horen
(p. 767)
De dichter moet dit blijven doen:
zolang hij zijn eigen echo hoort
vanuit de boze wereld buiten en de boze wereld
waarin hij zo vrolijk mogelijk woont
(p. 776)
Lucebert zelf bracht de meeste tijd door in zijn Spaanse huis en misschien is het het ruwe en dorre, doodse Spaanse landschap dat het laatste gedicht uit de bundel ('de nederlaag') zo zwart en pregnant maakt:
in de eeuwigheid zou ik uittreden en deel zijn
van doodseskaders die de bedevaart van bedelaars
en hoopvolle filosofen verstoren en uiteenrijten
zodat een ieder dwaalt in eeuwig onbehagen
zonder dageraad zonder lenteboden zonder liefde
zonder morgenrood zonder jaargetijden zonder taal
(p. 791)
- Lees meer citaten uit de latere gedichten van Lucebert
- Terug naar: Introductie