Het orkest van je obsessies: citaten uit de latere gedichten van Lucebert (1994)

hoog in je schedel waar speelt woest
het orkest van je obsessies
(p. 702)


Van de maltentige losbol (1994)

De laatste bundel van Lucebert werd nog wel door hem persoonlijk samengesteld en geordend, maar verscheen postuum. De bundel begint met een - op het slot van de vorige bundel aansluitende - opwekkende negatie:

geen mist geen nevel geen modder
mar strakke lijnen van geveinsde bescheidenheid
een slank ei dat zichzelf doorprikt
(p. 795)

Al snel draven tegenstellingen uit een sprookjeswereld op:

en toen kwam geluk hem overstromen
en toen werd alles van hem afgenomen
dan wist hij in de stilte van een ander te dromen
(p. 797)

Een sprookjeswereld, waarin de dood rondwaart en naderende rouw voelbaar is:

strijk de vlaggen halfstok
totdat zij hangen alsof zij peinzen
(p. 799)

En hoewel de taferelen en scènes met elk gedicht een slagje sterker claustrofobisch en inert worden, of schijn althans wekken, kan de dichter zijn pen niet neerleggen:

als ik geen dichter was zou ik
uit honderden woordwonden bloeden
niets zou mij helpen geen gevleugeld
geen hemels woord zou het bloeden stelpen
(p. 809)

Dit is een van de meer bekende (en ene van de kortste) gedichten uit de laatste bundel geworden. Het geeft ook iets aan van de sfeer van passiviteit in deze gedichten. Acties zijn passief geworden en bestaan alleen nog uit inbraken ondergaan en gebeten worden door een hond. De dichter ontloopt niet zijn eigen ontstellende conclusie:

maar niets kan meer boeien
(p. 852)

hoewel hij het gedicht nog wel een opstandige titel mee kan geven: 'verlaat protest'.

nagelaten gedichten (1994)

De in 1994 nagelaten gedichten die klaar lagen voor publicatie verschenen voor het eerst als laatste sectie in de nieuwe editie van de Verzamelde gedichten in 2002. Deze gedichten zijn nog kaler, minder driftig, en lijken zich alleen nog te concentreren op associaties en opsommingen. De woede is nu weg, de drijfveer versleten, de plaats van handeling is niet meer in de eerste plaats de politiek en de wijde wereld tot en met de uithoeken van het heelal, maar het huis en de persoonlijke sores:

de lange tijd die je werd gegeven wordt kort
(p. 872)

Het is een wereld van introspectie geworden, die de dichter ervaart in zijn 'woonst':

het huis laat ons samenwonen
(p. 866)

Het is, kortom, de wereld van een patiënt. Vanzelfsprekend wordt het machteloos en nu als machteloos erkend verzet gememoreerd. Het mag dan een moderne tijd zijn,

deze eeuw vol wetenschap, zonder geweten
(p. 875)

het is ook een wereld waarin 'kadavers als rekwisieten' (p. 882) worden gezien. De dichter zelf verkeert in het besef van de naderende dood:

in het kwijtgat verdwijnt de tijd de hijgende plunderaar
(p. 886)

Het gedicht heet dan ook 'gedicht vertrek in de tijd', maar voor hij verdwijnt, maakt hij nog even duidelijk wie hij was en waarom het ging:

maar hier staat stevig dwarskop naast plaaggeest
het is altijd mooi geweest en zo zal het blijven
(p. 886).