ik draai een kleine revolutie af...

ik draai een kleine revolutie af
ik draai een kleine mooie revolutie af
ik ben niet langer van land
ik ben weer water
ik draag schuimende koppen op mijn hoofd
ik draag schietende schimmen in mijn hoofd
op mijn rug rust een zeemeermin
op mijn rug rust de wind
de wind en de zeemeermin zingen
de schuimende koppen ruisen
de schietende schimmen vallen

ik draai een kleine mooie ritselende revolutie af
en ik val en ik ruis en ik zing

Er zit haast altijd een speels, lichtvoetig element in de gedichten van Lucebert, ook in zijn woedende en strijdbare. Door het woord revolutie in de aanhef ik draai een kleine revolutie af is onze eerste reactie - ha, wederom een strijdbaar gedicht met een speelse aanpak. Meteen al bij de tweede zin, ik draai een kleine mooie revolutie af, weten we dat het meer speelsheid dan strijd zal worden. De dichter gaat er al afdraaiend iets moois voor ons van maken. Met kinderlijk plezier heeft hij zijn aankondiging herhaald en uitgebreid, ik draai af en ik draai af - de dichter als orgelman.

Een spel van woorden en associaties wordt ons voorgeschoteld. Van revolutie komt omwenteling, van afdraaien komt film. De omwenteling, dat is de beweging van de golf, van de golven die rijzen en dalen, die met hun schuimkoppen onvermijdelijk vallen, de film is wat zich afspeelt in het hoofd, waar zich schietende schimmen ophouden die uiteindelijk ook vallen, die uiteindelijk samenvallen met het beeld vna de schuimende koppen.

Maar eerst stelt de ik zich nog nader voor -

ik ben niet langer van land
ik ben weer water

- dat wil dus zeggen, de ik is teruggegaan naar wat hij eerst is geweest - ik ben weer water. Het water is de oerbron, vruchtwater. Een omwenteling, letterlijk. Uit mij komt alles. In mij zit alles. Het water schept en genereert, in een eeuwige cyclus. De dichter kan nu vervolgen met

k draag schuimende koppen op mijn hoofd
ik draag schietende schimmen in mijn hoofd

- met die regels is de zesvoudige ik-herhaling ten einde: die twee beelden, schuimende koppen en schietende schimmen, beide kinderen van de revolutie, houdt de dichter in de rest van het gedicht vast. Soms mondt ene gedicht bij Lucebert uit in een associatieve orgie, stroomt het over van beelden, zoals in

de braakstalen code der distantie
tienticht de tientand andermaal de luchtprofetie
vol van keel de o-koek de ochtendslagen heet

Zo niet hier. Louter twee beelden exploiteert hij verder, in dit cyclische gedicht over een cyclisch proces - als in een carrousel springt hij van het ene op het andere terug, en hij schuwt daarbij, zoals vaker, de effecten niet -

de waanzin tikt tikt tikt

- als een horloge. Ik, ik, ik, ik,ik, ik. Op, op. De, de, de. Ik en ik en ik en ik. Draait u maar.

Dit is geen revolutie met een zware boodschap, dit is plezier, zelfs baldadigheid. Het eenmalige, opvallend geplaatste en aan het begin van de slotregel klinkt regelrecht jubelend. Het is meteen een keerpunt, een scharnierpunt: vandaar kunnen we weer naar boven lezen, cyclisch, het hele gedicht terug. Revolutie komt van revolvare, terugrollen, terugwentelen.

Maar eerst had de dichter het vier regels lang over het ene beeld, dat van de golven en het water - om pas, alsof hij het als een donkere noodlotstoon wilde benadrukken, in de vijfde regel

de schietende schimmen vallen

op het tweede beeld over te stappen. Eén regel lang maar, en de daarop volgende witregel bevestigt de nadrukkelijke positie. Het is of de dichter even de adem inhoudt en wil dat het beeld beklijft. Heel even, met dat schietende, lijkt hij het over iets als een echte revolutie te hebben, of althans de herinneringf ('schimmen') aan straathoeken, revolvers, bloed, aan vallende kadavers - maar zó even maar, dat we die andere associaties, met verschietende of voorbijschietende schimmen, niet verliezen. Daardoor vergeten we na de witregel de duistere droom meteen weer en ademen we mét de dichter diep uit als hij aan de versierselen van zijn revolutie dat genotvolle ritselende toevoegt. De dichter heeft alles in de hand.

Maar dan.

Dan zou men, als herhaling van het zingen, ruisen, vallen (de eindwoorden van de drie regels vóór de witregel), verwachten

en ik zing en ik ruis en ik val

- het zou ook meer beantwoorden aan de climax die men in zo'n opsomming logischerwijs verwacht. Maar die climax is overbodig geworden: in ik val zijn het vallen van de golven en het vallen van de schimmen vervloeid tot een eendere beweging. De eeuwigdurende uitwisseling is werkelijkheid geworden. Er kan voor altijd worden overgestapt, van golf naar schim, van schim naar golf. Rijzend, vallend. Vallen is ruisen is zingen.

En bovendien - na het vallen, tot op de bodem van het gedicht, klimt ook de lezer weer naar boven. De slotregel is revolutie - omwenteling - bij uitstek. In de slotregel wordt de draai gemaakt, de kreeftengang - hij bevat de woorden al in omgedraaide volgorde, precies zoals we ze als vallen, ruisen, zingen in de derde, vierde, vijfde regel van onderen weer zullen tegenkomen. Via de glimp, de tik, de toon van het donkere noodlot.

De val blijkt een climax met terugwerkende kracht.

De revolutie die in dit gedicht wordt gepredikt is een vrolijke revolutie. Ze ritselt. Zelfs prediken is een te zwaar woord. Het is een revolutie die vanzelf komt zolang er een ik is, een schepper. Ze ontstaat spontaan en is niet tegen te houden. Maar ook - ze danst en golft weer weg. En is weer op til, staat opnieuw te gebeuren... Eeuwig wentelt ze rond, in schuimkoppen, en al wat schiet schiet voorbij. De vallende lijken zijn in de afgedraaide rolprent niet meer dan een korte tussenshot. Nooit houdt het op.

Zoals dit gedicht nooit ophoudt. Van boven naar onderen gelezen en weer terug, en dan opnieuw naar beneden gelezen, afdraaiend, revolverend, is het een perpetuum mobile.

© Gerrit Komrij

Eerder verschenen als: '88 ik draai een kleine revolutie af, in: Gerrit Komrij: In liefde bloeyende: de Nederlandse poëzie van de twaalfde tot en met de twintigste eeuw in honderd en enige gedichten. Amsterdam: Bakker, 1998, p. 320-323.