boeken hebben hun geschiedenis

het boek is nog niet uit
het is wel een uiterst klein dun boek
een handboek een schemerboek
in de boekenkast is het altijd zoek
ook valt het van tafel in het niets
valt het tussen de woorden van praters
tussen het gebrul van elokwente sprekers
ver weg ontbladert het in het witte woud
schurftig komt het soms terug zacht
is zijn vragende oogopslag in een hoek
vergeten gaat het liggen en vergeelt
tussen de onverschillige pissebedden
wordt het een stehgeiger voor stijfkoppige
dovemansoren geen eenvoudige boodschap
verlaat meer het boek het is slaapverwekkend
ook de lezer is slaapwekkend maar die eet
vrijt slaapt en doet aan krachtsport
die werkt zich zeker tevreden in het zweet
die danst met hanetred rond zijn windei
en bereikt zo de juiste vorm de hemel op aarde

Laatst zag ik een bloemlezing met poezen- en kattengedichten die geheel was samengesteld uit de drie bloemlezingen die ik uit de Nederlandse poëzie heb gemaakt. Nu, bijna helemaal.

Er was alleen nog een poezengedichtje van de samenstelster zelf aan toegevoegd.

Waarom moeilijk doen als het makkelijk kan?

Erg gemakzuchtig zijn ook de thematische bloemlezingen over, zeg maar, de school of de oorlog, bloemlezingen waaraan je kan aflezen dat de bloemlezer alleen naar titels heeft gespeurd.

Dan heb je een bundel met gedichten over de school en in de inhoudsopgave zie je allemaal titels waarin het woord leraar of klas voorkomt. Of de gedichten heten Op de schoolbank of Slecht rapport of Onderwijzersleed.

Zo'n bloemlezing kwam tot stand door andere inhoudsopgaven na te vlooien. Dat is meestal niet meer dan één pagina op een bundel. Zoiets leest een stuk sneller.

Gedichten waarin het pas verderop - na de titel - over school, leerlingen en dictees gaat vallen uit de boot.

Je mist op die manier vanzelf essentiële dingen.

Wat zou ik me boos maken? De thematische bloemlezing is op sterven na dood.

Binnenkort zal de cd-rom of de DVD met alle Nederlandse gedichten er zijn. Met bijna alle toch zeker. Je krijgt met gemak de tekst van een paar miljoen gedichten op één schijfje. Wil je hondengedichten lezen? Je klikt een rijtje passende sleutelwoorden aan - hond, teef, woef, kwispelen - en in een mum van tijd heb je ze allemaal geplukt.

Het bewuste woord kan op elke plaats in het gedicht staan en je komt te weten wat themabloemlezers je tot dusver nooit konden laten weten: dat de mooiste hondengedichten Wandeling met opa heten of Vesuvius.

Al die verzamelbundels met gedichten over vogels, vissen of liefde, of zelfs over zulke onzin als de fiets of de moeder, je hebt er geen poëziekenners of bloemlezers meer voor nodig.

De themabundel wordt een overbodig genre.

Nee, overbodig niet - iedereen kan zijn eigen instant-bloemlezing over elk gewenst onderwerp maken. Met een druk op de knop is zelfs je verzameling klaar met gedichten over de hond op school of de kat op de fiets.

Maar in de boekwinkel zal je de themabundel niet meer zien.

Omdat ik zowel voor boeken als poëzie een bijzondere liefde koester heb ik wel eens geprobeerd bij te houden wat er in de Nederlandse literatuur aan boekenpoëzie is geschreven.

Bijgaand gedicht van Lucebert is zo'n gedicht over boeken.

Het had de luiste der luiste bloemlezers niet kunnen ontgaan. Het woord boek in de titel, het woord boek in elk van de eerste vier regels. Tweemaal zelfs in de derde regel.

Maar dat het bij Aan mê vrouw van P.C. Hooft en After the goldrush van Jan Boerstoel - wonderlijke combinatie - ook om typische boekpoëzie gaat zou je niet zomaar raden.

Tientallen van die mooie boekgedichten lagen er op een dag in mijn map. Als ze alleen over de poes in de poëzie al twintig bloemlezingen hadden, redeneerde ik, kon er nog wel een boek bij over het boek in de poëzie.

Zowel die map als alle kennis die ik erover paraat had is nu nutteloos geworden. Verspilde moeite, op afroep beschikbare kennis.

Jammer vind ik het niet. Ik had toch al de pest aan dat soort bloemlezingen.

Ik ben blij dat iemand nu in het holst van de nacht en in zijn dooie eentje, als hij de slaap niet kan vatten, snel 'n bloemlezinkje met slaapgedichten kan concipiëren en afdrukken zonder dat hij er anderen mee lastigvalt.

Zonder bomen om te zagen.

Zoekmachines kunnen uitstekend vaststellen of ene gedicht niet of wel over slaap gaat.

Ze zullen ons nooit kunnen waarschuwen als een gedicht slaapverwekkend is.

Ze kunnen geen mooie van niet-mooie gedichten schiften. Een boek met de mooiste boekgedichten blijft mensenwerk.

Geen bloemleesmachine zou kunnen zeggen wat er zo mooi is aan het gedicht van Lucebert. Als we de machine toch wat elementaire esthetische criteria hadden bijgebracht zou zij het, vanwege te veel herhalingen en zo, waarschijnlijk afwijzen.

Voor een menselijke poëzielezer is het al moeilijk genoeg uit te leggen wat de charme ervan is.

Indrukken, suggesties en associaties, meer heb je vooralsnog niet in handen.

In het begin lijkt het gedicht om het mensenleven te gaan ('mensen hebben hun geschiedenis'). Een te kort leven dat op het einde loopt. Een leven dat je niet kunt pakken en dat zomaar in stilte oplost.

Bij de grijze ontbladering verandert het beeld in dat van een schurftige hond. (Hondenbloemlezers, opgelet!) Vragende oogopslag, in een hoek gaan liggen, het is een honds leven.

Het boek wordt al liggend 'een stehgeiger voor stijfkoppige dovemansoren'. Een absurditeit waar niemand naar luistert.

Slaapwekkend omdat het geen gemakkelijke boodschap verkondigt aan de lezer - daar komt, derde fase, de tegenhanger in beeld.

Die lezer is door zijn hardleersheid even slaapwekkend. Het lijkt of er een terminale toestand, een laatste stadium wordt afgekondigd tegenover het volle leven - gezondheid en kracht.

Een boek met een oud en lang verhaal tegenover iemand.

die danst met hanetred rond zijn windei

- een juweel van een zin, overigens, die je ook kunt lezen als; die danst met winderige tred rond zijn haneëi.

Met eigendunk rond het onbestaanbare.

Het niets.

Het sarcasme in de laatste regel treft de met zichzelf ingenomen beginneling en versterkt het medeogen met het boek dat bijna uit is.

Ik weet niet of mijn indrukken en associaties juist zijn. Ik weet niet of mijn vluchtige interpretatie standhoudt. Maar je voelt dat dit niet zomaar een vrolijk boekgedicht is. Zo'n gedicht dat alleen nog door een thematische schifting kan worden gered.

© Gerrit Komrij

Eerder verschenen als: 'Boeken hebben hun geschiedenis', in: Gerrit Komrij: Trou moet blycken of opnieuw In liefde bloeyende: de Nederlandse poëzie van de twaalfde tot en met de eenentwintigste eeuw in honderd en enige gedichten. Amsterdam: Bakker, 2001, p. 349-352.

(De zetfout in het gedicht van Lucebert, in de eerste druk van Trou moet blycken (p. 349), is stilzwijgend gecorrigeerd. De op een na laatste regel luidde: die dans met hanetred rond zijn windei).