1: 'Zeer bepaald maar willekeurig zand'


In 1997 publiceerde Erik Menkveld zijn officiële debuutbundel De karpersimulator. De bundel werd meteen goed ontvangen door Nederlandse critici.  In De karpersimulator beschrijft Menkveld een wonderlijke wereld, waarin vanillevla in bloei staat en mensen en fruit elkaar de liefde kunnen verklaren. In de gedichten identificeert Menkveld zich op een verrassende manier met andere mensen of dingen, waarbij hij zich bedient van eenvoudige taal en ongecompliceerde beelden. In het eerste gedicht, 'Even', vraagt hij de lezer om zijn gebruikelijke denkwereld drastisch uit te breiden met niet te bevatten gedachten:

Ga maar even zitten 
denken aan zeer bepaald
maar willekeurig zand
ergens in de aarde,
een verloren compositie
van Anonymus, gevaar
dat iemand liep in 1860,
alle lucht die Coltrane
ooit heeft ingeademd
(p. 5)  

En in het tweede gedicht ('Oude boxer') identificeert Menkveld zich niet alleen met een oude boxer, wat op zich al wonderlijk is, maar ook met voorwerpen:

en een jaar of dertig later
weet ik niet waar ik hem zag
op welke visite, bij wie,
alleen dat hij me aankeek
tot ik dacht: ik had hem makkelijk
kunnen zijn, en niet alleen
hem, dat kleed ook,
die clubfauteuil,
dat teakhouten buffet...
(p. 6)

In het gedicht 'Laatste bezoek' beschrijft Menkveld het sterfproces van een oude vrouw. De ik-persoon die haar voor de laatste keer komt opzoeken beseft dat er een deel van hem zal verdwijnen als zijn moeder eenmaal dood is:

Misschien een kleine hand

nog in haar hand, het verre
lichten van een kus op haar wang

Meer is er niet van mij
met haar verdwenen
(p. 7)

In de gedichten van De karpersimulator weet Menkveld zich op bijzondere wijze te verplaatsen in de natuur. Hij doet dit op zo'n manier dat bijvoorbeeld een zomerlinde een eigen belevingswereld blijkt te hebben en, wanneer hij meent niet bekeken te worden, van zijn plek weg wil stappen:

in de blauwe duisternis op punt
een pas te doen, een sprong,
doordrongen van geen oog,
geen oor, geen wind.
(p. 12)

Ook in andere gedichten komt Menkveld verrassend uit de hoek. Zo hoopt een onontdekt voorwerp ooit nog eens gevonden te worden en is in een ander gedicht een wandelaar verbonden met de dieren in het bos waarin hij loopt. In het gedicht 'Strand' bedenkt Menkveld zich hoe het zand zich moet voelen onder het lichaam van een mooie, zonnebadende vrouw:

Wat moet het verrukken, zulke
maten zich met overgave in je
af te voelen drukken. Daarvoor
zal het graag zijn opgespoten. 
(p. 17)

In het gedicht  'Hinniken' voert een paard het woord:

De vrouw ligt er al in. De boer
in pyjama kijkt geroutineerd
zijn uitzicht na. Even in die
ondoorgrondelijk gemeubileerde
kamer mijn vertrouwde grazen, al
vergeten voor het licht uit gaat.
(p. 14)

Muziek speelt een belangrijke rol in Menkvelds bundel. Hij heeft een reeks van vier gedichten gewijd aan muziekstukken van verschillende componisten. Telkens laat hij personen aan het woord die indirect betrokken zijn bij het muziekstuk, wat een verrassend perspectief biedt. Zo laat hij een architect aan het woord die een gebouw in Florence ontwierp waaraan de componist Dufay een motet heeft gewijd. De architect is niet erg verheugd  over Dufay's werk in het gedicht 'Nuper Rosarum Flores (Dufay):

makkelijk 'het mooiste ooit gemaakt'
zogezegd. Cambio , Giotti, Talenti
en ik - al ons werk de marmeren huid
van zijn motet. Jaja. Dat zijn zerk 
tot de jongste dag de beerput van de
eerste de beste kanunnik dekke.
(p. 24)

En in een gedicht 'Intieme brieven (Janáček)', over de kamermuziek van de componist Janáček, laat hij diens muze, waaraan het stuk 'Intieme brieven' is opgedragen aan het woord:

Alleen door mij ontstegen
deze melodieën het hout
van zijn herinnering en laaien
op, de wind in een gordijn,
spreeuwen die een iep in kolken
op een plein.   
(p. 25)

In het laatste gedicht van de reeks is het tenslotte de dichter zelf, die zich vereenzelvigt met de muziek van Skrjabin:

En even later sloeg ik
de bekkens en de maat,
floot ik trompetten
en fluiten.  
(p. 27)  

Het ongewone perspectief dat Menkveld in zijn muziekgedichten kiest, komt ook in andere gedichten tot uiting. Het gedicht 'Lego', bijvoorbeeld, gaat over de jeugd van de dichter. Maar in plaats van zijn herinneringen direct te beschrijven, komen ze slechts terloops aan bod en blijkt het uiteindelijk lego te zijn die hem doen terugdenken aan zijn kindertijd:

bouwwerk met erkers, kantelen,
bedachtzaam in elkaar gestoken
door kleine keurige handen, ooit
een laatste keer opgeborgen
en vergeten, in deze doos,
deze kast, donker van jaren. 
(p. 8)  

En in het gedicht 'Belichter' blikt een man terug op zijn glorietijd in het circus. Nu hij oud is en niet meer kan optreden zorgt hij voor de belichting van de nieuwe circusacts. Hij lijkt enigszins jaloers te zijn op de nieuwe lichting van het circus en vindt alsnog een manier om zichzelf tot een van de belangrijkste onderdelen van de show te maken:

De nieuwe acts?
Zijn we snel uitgepraat.
Al vindt het luchtnummer
zich heel wat.

Over de verrichting zeg ik niks,
maar zonder belichting 
zijn ze onzichtbaar
(p. 21-22)    

 - Klik voor een uitvergroting
Vooromslag van De karpersimulator (1997)