2: 'Allesdier'
In 2001 verscheen Menkvelds tweede bundel bij De Bezige Bij, Schapen nu!, opgedeeld in vier afdelingen. Hiervan was de ontvangst minder enthousiast dan van zijn debuutbundel. Ook in deze bundel observeert Menkveld veel en op een vaak verrassende wijze. In de eerste afdeling staat een serie van vijf gedichten waarin Menkveld bijzondere 'aankomsten' beschrijft. In het eerste gedicht van de reeks wil de dichter gaan vissen als hij op vakantie is:
Toen ze uiteindelijk al dat water
tot de einder hadden liggen zijn ze
waarschijnlijk de vissen vergeten.
Maar, werd in tijdnood besloten,
dat heeft 'ie toch niet in de gaten.
(p. 10)
Ook in de andere gedichten wordt alles snel opgebouwd als de ik-persoon de plaats van bestemming nadert. Als hij bijvoorbeeld op vakantie is in Duitsland en onderweg andere schoenen aandoet, wordt hij verrast met een geheel nieuw landschap:
Na de heilbronnen, dennenwouden,
bakstenen boogbruggen en Moezelruïnes
de dagelijke Duitse realiteit.
Wat hebben ze daar een werk van gemaakt!
Volcontinu verkeerssituaties!
Grasvelden op de raarste plaatsen!
(p. 11)
En als de ik-persoon een plek verlaat maar er even later weer terugkeert, ontstaat er onder de afbrekers geen paniek:
Hadden ze net alles afgebroken,
keer ik terug op mijn schreden!
Maar van overhaaste werkzaamheden
of paniek geen spoor: rustig
welkom wordt ik weer geheten
(p. 14)
Zoals de titel al doet vermoeden komen er in Menkvelds tweede bundel een aantal keren schapen voor. De schapen staan in een geheimzinnige en bij tijd en wijle wat dubieus en ongemakkelijk aandoende relatie tot de ik-persoon. In het openingsgedicht brengt de ik-persoon een opblaasschaap tot leven:
Adem die ik morgen onze opblaaskrokodil
hoop in te blazen, stroomt nu in een schaap
dat zich niet vaak laat horen
maar vannacht met routineus geschoren
banen over zijn buik vanaf de dijk de
sterren toe gaat blaten.
(p. 9)
In het gedicht 'Schapen nu!' ontstaat er een ongemakkelijke situatie als de ik-persoon het tegenover zijn gasten over schapen heeft:
Voor ik het wist was het eruit.
Pijnlijke stilte.
Iedereen in verlegenheid.
Ik ook altijd
lach ik nog.
Maar het is al te laat.
Achter de beslagen ramen
groeit het geblaat.
(p. 15)
Ook in Schapen nu! kruipt Menkveld geregeld in de huid van voorwerpen of dieren die een eigen verhaal vertellen, wat een humoristisch effect heeft. Zo voelen 'ongehoorde waaibomen' zich weinig gewaardeerd door mensen als ze eenmaal tot bouwmateriaal zijn verwerkt:
Nu we kozijnen zijn
in deze keuken, kijken
ze wel naar de leuke
overbuurvrouw op haar
balkon of een bescheiden
lijnvlucht die over komt,
maar niet naar ons
die alles omlijsten.
(p. 33)
En doen duiven uit de doeken hoe je moet leven zoals zij:
Eerst klapwiek je recht omhoog
om overzicht te krijgen
en indruk te maken. Laat je niet
afleiden door zilvergroen wiegende
duivinnen aan de einder (knotwilgen)
of door de boer met voer bij het hok:
hou je symboolwaarde steeds in het oog.
Cirkel vervolgens traag weer omlaag
(p. 35)
Menkveld maakt soms gebruik van ongebruikelijke enjambementen, zoals ook in het citaat hierboven. Niet zelden brengt hij een enjambement aan tussen twee strofes, waardoor het nodig is om aandachtig te lezen. Zo schrijft hij in het gedicht 'Allesdier':
Gehuld in de grijsbruine vlieghuid
die tussen mijn ledematen spant
hang ik in schuren of verlaten groeven
ondersteboven in slaaptoestand
(p. 27)
Of in een ander gedicht:
Laat de intieme ovalen van jullie
longen zich enkele malen vullen
met avond en onverrichterzake
leeglopen door keel en mond.
(p. 38)