3: 'Mooie zintuigen'

In januari 2005 verscheen de derde dichtbundel van Erik Menkveld: Prime time. Niet bij zijn eerdere uitgever De Bezige Bij, maar bij Van Oorschot. De bundel ziet er ook uit als een typische Van Oorschot-bundel: geen omslagillustratie, geen portret van de auteur achterop, geen wervende teksten, maar auteursnaam, titel en uitgeverslogo  in de traditionele layout van Gerruit Noordzij. 

Maar de dichtbundel bevat wel drie illustraties (in Schapen nu! was ook één illustratie afgebeeld): drie foto's bij het gedicht 'De kinderbrug' gemaakt door Karla Gilberg. Een aantal gedichten in deze bundel werd eerder gepubliceerd in litearire tijdschriften:  Het liegend konijn, Onze taal, Raster en Tirade. Andere gedichten werden speciaal geschreven voor bepaalde uitgaven, zoals Overgangen. Gedichten bij figuren uit Ovidius' Metamorphosen (2004), of gemaakt in opdracht van commerciële bedrijven, zoals NUON Corporate Communicatie: Bijzondere energie. Bijzondere mensen (2004).

De thema's van deze bundel zijn algemener van aard dan die in de voorgaande twee uitgaven. Het gaat niet meer om het verrassende standpunt op zich, de bundel is ook minder lyrisch én minder geestig van toon. Meer dan in zijn eerdere werk staat hierin het lot van de mens centraal. Hoe te leven? Wat te doen? Dat komt bijvoorbeeld tot uitdrukking in de cyclus 'Betrouwbaar' waarin drie stemmen iets zeggen over hun betrouwbaarheid. De laatste strofen van de drie gedichten volgen hier onder elkaar:

Ik meen wat ik beweer. Over hetzelfde
beweer ik nooit iets anders. Meen ik
iets niet, dan laat ik dat merken.
(p. 6)

Ik beweer niets, heb geen mening, nooit.
Nu zeg ik dit, dan dat, en wat ik zeg
is gelogen, daar kun je van op aan.
(p. 7)

Heb ik een mening dan laat ik die horen,
dreig ik te kwetsen dan zwijg ik.
Zelf zou ik graag geloven wat ik zeg.
(p. 8)

De gedichten lijken een commentaar te zijn op de politieke en maatschappeijke situatie in Nederland sinds de moorden op Pim Fortuyn en Theo van Gogh en vooral op de politieke geluiden die in gepolariseerde debatten te horen zijn. De derde stem vertegenwoordigt daarin de stem van de twijfel en dat die strofe, in tegenstelling tot de andere twee, de enige is zonder enjambement, betekent ongetwijfeld iets over de positie van de dichter in het debat.

De vorm van de gedichten in deze bundel wijkt niet af van die in de eerdere twee bundels. Het gaat om regelmatige strofen van twee of drie of vier regels, en soms om aangesloten strofen van een verschillend aantal regels. Deze bundel bevat wel enkele langere gedichten, waarvan de langste vier pagina's telt en in de vorm van een gedicht van Kees Ouwens is geschreven. Het is dan ook een 'Ode aan Ouwens':

Geen tokkelen meer zonder lier van besnaardheid.

Geen stoel meer bij de radio
zonder goedertieren hoer.
(p. 52)

De overeenkomsten in onderwerp met de eerdere gedichten zijn niet geheel verdwenen, maar het standpunt is in het gedicht 'Stroom' bijvoorbeeld niet dat van de stroom zelf, maar dat van  'we' en 'jullie', de positie van leerling en leraar die mag uitleggen hoe stroom werkt en wat het is en waarom je stroom niet kunt zien:

Oké we gaan er nooit met onze vingers in
ook niet met breinaalden schroevendraaiers spijkers
(p. 23)

De zintuigen krijgen daarnaast in deze bundel speciale aandacht, zoals in het gedicht 'Mooie zintuigen':

mooie zintuigen moet ik zeggen,
al heb ik ze liever ongemerkt
van binnenuit in gebruik
dan als deze schaamteloos
bekeken, doorschoten pose
op een gedeelde treinruit.
(p. 22)

Maar in dit gedicht over een toevallige ontmoeting in de trein, beleefd via de weerspiegeling van de auteur en zijn vrouwelijke medereiziger via het venster, gaat het uiteindelijk niet om die zintuigen, maar om waarneming en gedrag.

Het titelgedicht van de bundel, 'Prime time', gaat over de zaken die de televisie op het uur met de grootste kijkdichtheid uitzendt:

Openbaar aanklager heropent na jaren de zaak
tegen vermeende moordenaars met nieuw materiaal.

Het aanhoudend warme weer, de mogelijke klimatologische
veranderingen. Duizelingwekkende luchtopnames
(p. 24)

In de tweede strofe speelt door het nieuws van vandaag het nieuws van het jaar nul heen:

Groots gladiatorentreffen bij neo-Romeinse nederzetting. Monsterlijke reus ontpopt zich als messias, wordt later

samen met ontsnapte gevangene voor homostel gehouden in Texaans dorp. De tomaten. Dompel ze in kokend water.
(p. 24)

Dan pas wordt duidelijk dat het hier geen weergave van het nieuws van het jaar nul betreft, maar dat de lezer zich bevindt in een kolkende stroom van gegevens die uit verschillende televisieprogramma's bij elkaar is gezapt en alles is:

op onze beeldschermen te volgen zolang we willen.
(p. 25)

Maar de ongestelde vraag van Menkveld is natuurlijk: Willen we dat? Wat willen wij?